Estate Planning Expert
 

ACTUEEL
01-12-2022 - HR 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1793
01-12-2022 - HR 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1810

De jaarlijkse opgave van art. 3:205 lid 4 BW bij vruchtgebruik en bij een fideïcommis de residuo (WPNR 2020/7269)

LinkedIn
08-06-2020 | Categorie: Literatuur

Mr. P.C. van Es

Bij een recht van vruchtgebruik is het voor zowel de vruchtgebruiker als de hoofdgerechtigde van wezenlijk belang dat duidelijkheid bestaat over de vraag tot welke goederen het vruchtgebruik zich uitstrekt. De wet schrijft daarom voor dat door de vruchtgebruiker bij aanvang van het vruchtgebruik een boedelbeschrijving dient te worden opgemaakt. In aanvulling hierop moet de vruchtgebruiker op grond van art. 3:205 lid 4 BW jaarlijks een overzicht opstellen van de mutaties in het vruchtgebruikvermogen. Deze verplichtingen zijn van dwingend recht; de vruchtgebruiker kan hiervan ingevolge art. 3:205 lid 5 BW niet worden vrijgesteld. In de vruchtgebruikrelatie tussen (stief)ouder en kind kan de verplichte jaarlijkse opgave van art. 3:205 lid 4 BW als bezwaarlijk worden ervaren.
In dit artikel wordt eerst kort ingegaan op de boedelbeschrijving en de verplichte jaarlijkse opgave. Vervolgens zal worden aangetoond dat de uit de wet voortvloeiende verplichting om jaarlijks opgave te doen van hetgeen is verteerd, een verplichting is die art. 3:205 BW in de loop van de totstandkomingsgeschiedenis van het artikel is binnengeslopen. Over nut en noodzaak van deze verplichting kan worden getwist. Tot slot wordt stilgestaan bij art. 4:138 lid 2 BW, dat de wettelijke voorschriften betreffende vruchtgebruik van overeenkomstige toepassing verklaart bij een erfstelling onder voorwaarde, zolang de vervulling van de voorwaarde onzeker is.
Bepalend voor het antwoord op de vraag om welke vruchtgebruikbepalingen het gaat, is “de concrete aard en de inhoud van de betreffende voorwaardelijke erfstelling”. De vrijheid ligt volgens de auteur bij de testateur die de ‘aard en inhoud’ van de voorwaardelijke erfstelling bepaalt. Het is daarom mogelijk om de bezwaarde bij een ideïcommis de residuo vrij te stellen van de verplichte jaar-lijkse opgave van art. 3:205 lid 4 BW. De ‘aard en inhoud’ van de voorwaardelijke erfstelling is dan zodanig (te weten: gericht op het ongestoord voortleven van de bezwaarde) dat art. 3:205 lid 4 BW niet op grond van art. 4:138 lid 2 BW van overeenkomstige toepassing is. De mogelijkheid van vrijstelling is te meer wenselijk nu de wetgever niet goed heeft nagedacht over het dwingendrechtelijke karakter van de verplichting om bij de jaarlijkse opgave ook melding te maken van hetgeen door de vruchtgebruiker (dan wel via de schakel van art. 4:138 lid 2 BW: door de bezwaarde) is verteerd. Het is natuurlijk ook mogelijk om de bezwaarde niet geheel vrij te stellen van de verplichting van art. 3:205 lid 4 BW, maar slechts van de plicht opgave te doen van het verteerde.

Wanneer u een abonnement heeft op SDU Opmaat, dan kunt u middels de link het complete artikel raadplegen: artikel WPNR 2020/7269.

Naar literatuur overzicht


Naar boven

Gebruiksvriendelijke Modellen Testamenten
Altijd up-to-date en inclusief een uitgebreide en heldere toelichting voor de testateur

Wilt u beter adviseren over estate planning?
Meld u dan vandaag nog aan voor de opleiding Estate Planning Specialist

Kent u onze Estate Planning Tools al?
De meest geavanceerde reken- en datatoepassingen op de Nederlandse markt

Driedaagse Leergang Levenstestament
Uitgebreide leergang waarin alle relevante deelonderwerpen aan bod komen

Modellen Huwelijkse Voorwaarden
Nu inclusief een uitgebreid model mét toelichting voor ongehuwde samenwoners

Twitter Linkedin