In deze bijdrage verkent de auteur de grenzen die de wet in het belang van de goede zeden en de openbare orde stelt aan de testeervrijheid. Naar de mening van de auteur dient de testeervrijheid – een belangrijk uitgangspunt van het erfrecht – zo veel mogelijk te worden gerespecteerd. De beperkingen die art. 4:44 en 4:45 lid 1 BW in het belang van de goede zeden en de openbare orde aan de testeervrijheid stellen, dienen volgens hem dan ook restrictief te worden uitgelegd. Of een bepaalde uiterste wilsbeschikking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is naar de mening van de auteur primair aan de rechter. De notaris dient zich terughoudend op te stellen bij zijn beoordeling of hij in dit verband gehouden is dienst te weigeren.
Geplaatst op 10 april 2012
Mr. J.L.D.J. Maasland