Als gevolg van de wettelijke verdeling ex art. 4:13 BW ontstaat er geen gemeenschap van nalatenschap. De langstlevende verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap en ieder van de kinderen verkrijgt als erfgenaam van rechtswege een geldvordering ten laste van de langstlevende, overeenkomende met de waarde van zijn erfdeel. De bepalingen van titel 3.7 BW en de procesrechtelijke uitwerking daarvan in titel 3.2 Rv zijn daardoor in beginsel niet van toepassing. De wetgever heeft echter bepaald dat een aantal van deze bepalingen van overeenkomstige toepassing is op de vaststelling van de omvang van de geldvordering. In deze bijdrage onderzoekt de auteur in hoeverre dat het geval is.
Geplaatst op 20 juni 2012
Prof. dr. S. Perrick