In art. 4:29 BW is een verzorgingsvruchtgebruik opgenomen met betrekking tot de echtelijke woning. Daarbij wordt verondersteld dat de langstlevende echtgenoot daaraan behoefte heeft. In art. 4:30 BW, waar het gaat om een vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap, ligt de bewijslast andersom: de langstlevende echtgenoot moet bewijzen dat hij behoeftig is. In dit artikel bespreekt de auteur twee uitspraken die laten zien hoe de rechter hierbij maatwerk levert. In de eerste uitspraak (Hof Amsterdam 20 december 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0739) wordt een in de tijd en omvang beperkt verzorgingsvruchtgebruik toegewezen. In de tweede uitspraak (HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9831) wordt een gedeeltelijk verzorgingsvruchtgebruik toegewezen.
Geplaatst op 30 april 2014
Prof. mr. B.E. Reinhartz