Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 8 april 2014 dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet van toepassing zijn op de schenking van een aandeel in een vennootschap, wier activiteiten bestonden uit de verhuur van vastgoed aan derden (ECLI:NL:GHARL:2014:2901). Volgens het hof werd met het vastgoed namelijk een onderneming gedreven. In de vastgoedpraktijk vormt de kwalificatie van activiteiten een voortdurende bron van discussie met de Belastingdienst, indien de erfgenamen of begiftigden gebruik willen maken van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. In dit artikel gaan de auteurs daarom eerst in op de vraag wanneer met vastgoed een onderneming wordt gedreven. Vervolgens bespreken zij het wettelijk kader van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, indien aandelen in een vastgoedvennootschap worden geschonken aan de bedrijfsopvolgers (veelal de kinderen). Daarna analyseren de auteurs de samenloopregeling van overdrachtsbelasting en schenkbelasting, zoals thans opgenomen in de Successiewet en Wet op belastingen van rechtsverkeer. Tot slot kijken zij naar een alternatief om een bedrijfsopvolging met vastgoed tussen ouders en kinderen vorm te geven, zoals de in de praktijk veel voorkomende cumprefstructuur.
Geplaatst op 30 september 2014
Drs. N.M.P. Govers-de Louw en mr. J.H.J. Jansen