Eindelijk rust inzake het klassieke ik-opa-testament? (KWEP 2015/33)

Geplaatst op 9 december 2015
Mr. F.A.M. Schoenmaker

Met ingang van 1 januari 2010 is Successiewet ingrijpend gewijzigd. Sindsdien is onrust ontstaan over de toepasselijkheid van art. 10 SW bij een klassiek ik-opa-testament. De staatssecretaris van Financiën maakt namelijk onderscheid tussen ik-opa-clausules in de vorm van een lastbepaling en ik-opa-clausules in de vorm van een legaat. Bij de eerste variant (last) wordt de geldvordering van de kleinkinderen integraal belast op grond van art. 10 lid 1 SW. Bij de tweede variant (legaat) is de fictiebepaling alleen van toepassing indien en voor zover de geldvordering van de kleinkinderen hoger is dan hetgeen het kind van de erflater heeft geërfd (art. 10 lid 9 SW). Op dit onderscheid bestaat veel kritiek omdat beide clausules uiteindelijk tot hetzelfde resultaat leiden. Bovendien is het vanuit de klassieke ratio van art. 10 SW, zoals die al meer dan 100 jaar geldt, nergens voor nodig om bij een testamentaire last meer te heffen dan hetgeen volgt uit art. 10 lid 9 SW. Thans lijkt aan de onrust een einde te zijn gekomen door een uitspraak die Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 20 augustus 2015 heeft gewezen (ECLI:NL:RBZWB:2015:5579). In dit artikel behandelt de auteur de betreffende casus en de uitspraak van de rechtbank. Het artikel wordt afgerond met enkele aandachtspunten voor de praktijk.