In de Wet IB 2001 en de Successiewet zijn faciliteiten opgenomen op basis waarvan bedrijfsopvolgingen fiscaal vriendelijk kunnen plaatsvinden. Een belangrijke voorwaarde voor de toepassing van deze bedrijfsopvolgingsfaciliteiten is dat sprake is van een materiële onderneming. In de praktijk hanteert de Belastingdienst als hoofdregel dat vastgoedbeleggingsactiviteiten niet kwalificeren als een materiële onderneming. De laatste jaren zijn reeds diverse rechtbank- en hofuitspraken verschenen over deze materie met verschillende uitkomsten. Op 15 april 2016 heeft de Hoge Raad beslist dat een vennootschap met omvangrijke vastgoedbeleggingen wel degelijk met haar gehele vermogen een materiële onderneming dreef (ECLI: NL:HR: 2016:633). In dit artikel geeft de auteur een nadere beschouwing van dit arrest en gaat hij in op de uitstralingseffecten die de beslissing van de Hoge Raad kan hebben op andere fiscale regelingen.
Geplaatst op 7 december 2016
Mr. D.C. Simonis