In dit artikel bespreekt de auteur eerst het meesleep aanmerkelijk belang (art. 4.9 Wet IB 2001), het meetrek aanmerkelijk belang (art. 4.10 Wet IB 2001), het fictief aanmerkelijk belang (art. 4.11 Wet IB 2001) en het verwaterde belang (art. 35c lid 5 onder b SW). Bij elk van deze aanmerkelijk belangen geeft zij een voorbeeld van het betreffende aanmerkelijk belang en een daaraan economisch gelijkwaardig belang. Aansluitend behandelt de auteur het voor de bedrijfsopvolgingsregeling belangrijke arrest HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:705. Volgens de Hoge Raad kunnen indirecte belangen die kleiner zijn dan 5% kwalificeren als ondernemingsvermogen. Een dergelijk belang kan volgens de vermogensetiketteringsregels als ondernemingsvermogen worden aangemerkt, mits de holding zelf een onderneming drijft of op grond van de toerekeningsregel van art. 35c lid 5 SW geacht wordt een onderneming te drijven. Het artikel wordt afgesloten met een conclusie en een aanbeveling.
Geplaatst op 27 december 2016
Mr. D.H. Fluijt