In dit artikel gaat de auteur in op het willekeurige karakter van de kring van verdachte personen in het erfrecht. De vraag kan worden opgeworpen waarom een curator – en in mindere mate een bewindvoerder en mentor – niet uitgesloten is van het genieten van voordeel uit een uiterste wilsbeschikking van zijn curandus. Men zou zich op het standpunt kunnen stellen dat art. 4:57 lid 1 BW van overeenkomstige toepassing is op testamentaire bevoordelingen van een onder curatele gestelde ten behoeve van zijn curator. De heersende opvatting in de literatuur is echter dat er geen sprake is van een overeenkomstige onbevoegdheid. De auteur meent dat er voldoende argumenten zijn om de vraag naar een wettelijke regeling (opnieuw) aan de orde te stellen.
Geplaatst op 10 april 2017
Mr. H.J. de Jonge