De defiscalisering van de turboverdeling in de inkomstenbelasting (FTV 2017/43)

Geplaatst op 7 november 2017
V.A.C. van den Broek LLM

Met ingang van 1 januari 2017 is de defiscaliseringsregeling van art. 5.4 Wet IB 2001 opnieuw uitgebreid. Sinds 2012 worden de bezittingen waarvan de langstlevende het vruchtgebruik krachtens erfrecht heeft verkregen voor de volle waarde bij hem in aanmerking genomen. Per 1 januari 2017 zijn de daarmee corresponderende schulden tevens gedefiscaliseerd. Door de uitbreiding van art. 5.4 Wet IB 2001 kan de vraag worden gesteld of ook de schulden die ontstaan als gevolg van een zogenoemde turboverdeling onder de defiscaliseringsregeling vallen. Van belang daarbij is het onderscheid tussen de door de wetgever en de staatssecretaris van Financiën gebruikte begrippen ‘krachtens erfrecht’ en ‘uiterste wilsbeschikking’.
Een turboverdeling betreft de toedeling van de bezittingen en schulden van de gemeenschap van goederen aan de nalatenschap. De langstlevende krijgt hierdoor een onderbedelingsvordering op de nalatenschap. Vervolgens wordt op grond van het testament een vruchtgebruik ten behoeve van de langstlevende op de nalatenschap gevestigd. Het kind krijgt de bloot eigendom van de nalatenschap. Op grond van de wettekst van art. 5.4 Wet IB 2001 geldt de defiscaliseringsregeling indien het vruchtgebruik krachtens een uiterste wilsbeschikking wordt gevestigd. Dit zou betekenen dat bij een turboverdeling de regeling van toepassing is. De Staatssecretaris kiest er echter voor om bij de eigenwoningregeling een andere uitleg aan het begrip ‘krachtens erfrecht’ te geven dan uit het civiele recht volgt. De auteur doet in onderhavig artikel enkele aanbevelingen over de gevolgen van de turboverdeling.