De invoering van belastingheffing op schenkingen honderd jaar geleden, resulteerde in een verbreding van de heffingsgrondslag. Er werd immers belasting geheven over verkrijgingen die eerder onbelast bleven. Soms werd echter dat gebied ook al geheel of gedeeltelijk bestreken door een ander belastingmiddel. In dat geval kan en kon kan er cumulatie van belastingen ontstaan. Het meest in het oog springend is de samenloop met de heffing van inkomstenbelasting. De wetgever had hier vrij snel na de invoering van de belastingheffing op schenkingen aandacht voor en voerde bij Wet van 1926 een anticumulatiebepaling in. Bij de invoering van de Successiewet 1956 is deze vrijstelling gehandhaafd (art. 33 onder 9° SW). De wetgever zag echter in dat er ook in andere situaties sprake kon zijn van cumulatie van belastingen. Bijvoorbeeld als ondernemingsvermogen werd verkregen waarop een latente inkomstenbelastingclaim rustte. Het was echter lange tijd niet mogelijk om voor de bepaling van de omvang van de belaste schenking rekening te houden met de latente belastingclaim. Het systeem van de Successiewet 1956 liet niet toe dat rekening werd gehouden met omstandigheden die de verkrijger persoonlijk betreft. Dat veranderde pas door de invoering per 1 januari 1981 van de aftrekmogelijkheid voor belastinglatenties (art. 20 lid 5 en 6 SW). Toch is het de vraag of met de voorgaande bepalingen de samenloop met de inkomstenbelasting geheel wordt voorkomen. De auteur gaat daarop in dit artikel nader in. Ook bespreekt hij de samenloop met de heffing van overdrachtsbelasting.
Geplaatst op 9 november 2017
Mr. dr. C.G. Dijkstra