Het fideicommis en art. 4:4 BW (FTV 2018/26)

Geplaatst op 13 juli 2018
Mr. dr. R.E. Brinkman

In dit artikel wordt aan de hand van de standpunten van Perrick en de auteur besproken of de verwachter in een fideicommissaire nalatenschap, de nalatenschap zowel vóór als na de vervulling van de voorwaarde kan aanvaarden en/of verwerpen. In deze discussie wordt onderscheid gemaakt tussen het volgtijdelijke en het voorwaardelijke karakter van de fideicommis. Ook wordt in het artikel aandacht besteed aan de vraag of de verboden handelingen opgenomen in art. 4:4 lid 1 en 2 BW zien op de periode vóór het overlijden van de insteller of op de periode vanaf het overlijden van de insteller tot het moment waarop de voorwaarde in vervulling gaat. Perrick stelt dat de nalatenschap van de insteller voor de toepassing van art. 4:4 BW voor de verwachter pas openvalt nadat de opschortende voorwaarde is vervuld. De consequenties daarvan worden door de auteur behandeld en becommentariseerd. De auteur concludeert dat:

  • de verwachter de nalatenschap zowel voor als na de vervulling van de voorwaarden kan aanvaarden en verwerpen;
  • het verbod van art. 4:4 lid 1 BW ziet op de periode vóór het overlijden van de erflater;
  • het verbod van art. 4:4 lid 2 BW ziet op de periode vóór het overlijden van de erflater;
  • wat aanvaarden, verwerpen en beschikken over het voorwaardelijk recht betreft, het element van voorwaardelijkheid voorrang heeft boven het element van volgtijdelijkheid, zodat bij een beneficiaire aanvaarding door de verwachter, de gevolgen daarvan pas in werking treden op het tijdstip dat de voorwaarde in vervulling gaat.