De reikwijdte van HR 25 juni 2010, BNB 2010/274 onder de nieuwe Successiewet 1956 (WPNR 2011/6891)

Geplaatst op 11 juni 2011
Mr. Y.J.M. Pijpers

De wettelijke regeling met betrekking tot rentevergoedingen in het kader van erfrechtelijke vorderingen en schulden is met ingang van 1 januari 2010 gewijzigd. Tot die tijd bestond onduidelijkheid over de uitleg van art. 1 lid 2 Succ.w. (oud) jo. art. 4:13 lid 4 BW. De kernvraag was in hoeverre op grond van deze bepalingen een onderlinge afwijking van de rente door de erfgenamen voor de toepassing van de erfbelasting werd gevolgd. Hierbij werd een onderscheid gemaakt tussen de afwijking van een door erflater in zijn testament opgenomen rente en de afwijking van de rente die op grond van art. 4:13 lid 4 BW is verschuldigd. De Belastingdienst heeft zich over deze problematiek uitgelaten en ook in de literatuur zijn diverse standpunten ingenomen. Inmiddels heeft ook de Hoge Raad zich in een specifieke situatie over deze kwestie uitgelaten. De uitspraak van de Hoge Raad is gedaan op 25 juni 2010, maar had betrekking op de wetgeving zoals die gold tot 1 januari 2010. In deze bijdrage staat daarom de vraag centraal wat de reikwijdte is van dit arrest en in hoeverre dit arrest betekenis heeft voor de nieuwe wettelijke regeling inzake rentevergoedingen zoals die in de huidige Successiewet is opgenomen.