Uit het Rapport onderzoek naar het vermogen in familiestichtingen lijkt dat in Nederland aanzienlijke vermogens zijn ondergebracht in familiestichtingen. Volgens het Rapport is de reden hiervoor fiscaal ingestoken. In dit artikel gaat de auteur in op de vraag wat een familiestichting is, hoe een dergelijke stichting kan worden opgericht, met name bij uiterste wilsbeschikking, en welke fiscale voordelen behaald kunnen worden.
Het Rapport onderscheidt twee typen familiestichting . Het eerste type is de statutaire familiestichting, de tweede is de feitelijke familiestichting. Opvallend is dat volgens het Rapport niet het doel, maar de zeggenschap bepalend is voor de kwalificatie als familiestichting.
Het Rapport gaat in op de fiscale voordelen die kunnen worden behaald door gebruik te maken van een familiestichting, uitgaande van oprichting en inbreng van vermogen in die stichting bij leven, niet bij overlijden. Het onderbrengen van vermogen in een stichting wordt vaak gezien als een vorm van belastingontwijking. Dat blijkt ook uit de wijze waarop in het Rapport wordt beschreven welke fiscale voordelen met een familiestichting kunnen worden behaald. Deze zienswijze is volgens de auteur niet de juiste benadering. Immers, als eenmaal het vermogen is ingebracht in een stichting, is de stichting de enig gerechtigde geworden tot dit vermogen. Als het vermogen eenmaal is ingebracht in de stichting, kan het er niet meer worden uitgehaald. Het uitkeringsverbod beoogt dat te voorkomen. Ook bevat de wetgeving diverse bepalingen die misbruik beogen te voorkomen. In Nederland kan ook bij testament een stichting worden opgericht. Het voordeel van de oprichting van een familiestichting bij uiterste wilsbeschikking is dat tot aan het moment van overlijden de eigenaar van het vermogen hier zelf naar eigen inzicht over kan beschikken en zich tot zijn overlijden kan bedenken. Bij de oprichting bij testament kan gebruik worden gemaakt van twee technieken om een stichting op te richten. De eerste is door in het testament rechtstreeks een stichting op te richten. Algemeen wordt aangenomen dat de bij testament opgerichte stichting bestaat op het tijdstip van overlijden van de erflater/oprichter. De tweede methode om bij uiterste wilsbeschikking een stichting op te richten, is door de erfgenamen of de executeur de last op te leggen een stichting op te richten. Een dergelijke stichting kan geen erfgenaam zijn en ook geen legataris, omdat deze stichting per definitie pas wordt opgericht na het overlijden van de erflater zodat niet wordt voldaan aan het bestaansvereiste om te kunnen erven. Vervolgens beschrijft de auteur een aantal aspecten rekening mee gehouden moet worden gehouden als een familiestichting bij uiterste wilsbeschikking wordt opgericht. De voorbereiding neemt al gauw enkele jaren in beslag. Een belangrijk deel van deze tijd zal besteed moeten worden aan het in kaart brengen van de gevolgen op korte en op langere termijn en daarbij zal ook rekening gehouden moeten worden met de onvoorspelbaarheid van de toekomst.
Wanneer u een abonnement heeft op Vp-Bulletin via Kluwer Inview, dan kunt u middels de link het complete artikel raadplegen: artikel Vp-Bulletin 2025/28.