Kort na het overlijden van zijn echtgenote heeft erflater op 80-jarige leeftijd een relatie gekregen met een 53-jarige vrouw. Deze vrouw verleende toen al een aantal maanden zorg aan erflater via een thuiszorgorganisatie. Omdat de vrouw een relatie met erflater was aangegaan, is zij ontslagen door de thuiszorginstelling. Ondanks het ontslag heeft de vrouw volledig de zorg voor erflater op zich genomen. Enkele maanden later heeft erflater een testament opgesteld waarin beschikkingen ten gunste van de vrouw zijn opgenomen. Vervolgens hebben erflater en de vrouw een half jaar later een huwelijk met elkaar gesloten. Na zijn overlijden is tussen de kinderen uit het eerste huwelijk van erflater en de vrouw onder meer een geschil ontstaan over de vraag of hier sprake is van een verboden beschikking.
Het hof heeft geoordeeld dat de vrouw uit de erfstelling in het litigieuze testament geen voordeel kan trekken. Volgens het hof heeft de vrouw erflater verzorgd als beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg en dus niet als mantelzorger in de privésfeer. Hoge Raad is met het hof van oordeel dat niet beslissend is of de vrouw BIG-geregistreerd was. De vrouw stelt dat geen sprake meer is van een verboden beschikking, omdat zij ten tijde van het overlijden met erflater was gehuwd. Ook de Hoge Raad verwerpt dit betoog. Uit de tekst en de geschiedenis van het betreffende wetsartikel volgt dat de aard van de betrokkenheid van de begunstigde bij erflater op het moment dat de uiterste wilsbeschikking wordt gemaakt bepalend is voor de vraag of de begunstigde uit die wilsbeschikking voordeel kan trekken. Dat betekent dat ook voor de uitzondering de hoedanigheid van de begunstigde op het moment van opmaken van de uiterste wilsbeschikking bepalend is. Omdat de vrouw ten tijde van het litigieuze testament nog niet met erflater was gehuwd, geldt de uitzondering niet. De uitzondering is voorts niet van overeenkomstige toepassing voor een persoon die met een notarieel samenlevingscontract ongehuwd met erflater samenwoonde ten tijde van het testeren (en ten tijde van zijn overlijden met hem is gehuwd).
Meer informatie:
- HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:62