HR 14 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1687

Geplaatst op 27 januari 2026
Hoge Raad geeft aan naar welk moment beoordeeld wordt of de aanwijzing van een derde-begunstigde een gift is

Een vrouw heeft een levensverzekeringsuitkering ontvangen naar aanleiding van het overlijden van haar ex-echtgenoot. De nalatenschap is negatief. De vereffenaars van de nalatenschap vorderen de uitkering terug uit hoofde van vermindering van een quasi-legaat. In tegenstelling tot de rechtbank is het hof van oordeel dat de vereffenaars hun vordering tegen de ex-echtgenote wel tijdig hebben ingesteld. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en geeft aan, dat nergens uit de wetsgeschiedenis blijkt dat sprake moet zijn van een terugvordering 'in rechte' binnen drie jaar na het opeisbaar worden van de uitkering.
Volgens het hof is sprake van een niet-kruislingse verzekering en moet de begunstiging worden beschouwd als een gift. Het hof is van oordeel dat de vraag of sprake is geweest van een gift moet worden beoordeeld naar het moment van overlijden van erflater. Tot het moment van overlijden van de erflater ging het slechts om een verwachting en had erflater nog de mogelijkheid de begunstiging te wijzigen. Volgens de begunstigde is geen sprake van een gift, maar de nakoming van een natuurlijke verbintenis tot verzorging van de kinderen. Het hof oordeelt echter, dat de door de begunstigde aangevoerde natuurlijke verbintenis van erflater betrekking heeft op de verzorging van de kinderen terwijl de ex-echtgenote de begunstigde is op de polis. Zij heeft niet aangevoerd dat haar aanwijzing als begunstigde is geschied ter nakoming van een natuurlijke verbintenis jegens haar.
De door de ex-echtgenote aangevoerde middelen leiden niet tot cassatie. De Hoge Raad oordeelt nog ten overvloede dat de beoordeling of er sprake is van een gift moet geschieden met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden, ook voor zover die zich hebben voorgedaan vóór het tijdstip waarop de begunstigde aanspraak heeft of kan maken op de uitkering. Beoordeling alleen op het moment waarop de derde-begunstigde aanspraak heeft of kan maken op de uitkering is niet voldoende. De voorgeschiedenis rond de begunstiging moet daarbij betrokken worden.

Meer informatie:

  • HR 14 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1687
  • Estate Planning College geeft regelmatig cursus over dit onderwerp. Wilt u weten wat de verschillende uitwerkingen van kruislings en niet-kruislings gesloten polissen (inclusief verpanding en partnerverklaring) bij huwelijkse voorwaarden en gemeenschap van goederen zijn? Kijk dan in onze Opleidingskalender