In het kader van hun echtscheiding en de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap twisten de echtgenoten onder andere over giften van de ouders van de man die zijn aangewend voor de aflossing van een woningschuld en voor de verbouwing van een woning. Het hof overweegt ten aanzien van de vraag of aan de giften een uitsluitingsclausule als bedoeld in art. 1:94 lid 2 onder a BW (oud) is verbonden als volgt. Hoewel het niet mogelijk is om achteraf nog een uitsluitingsclausule aan de gift te verbinden, verzetten de bewoordingen “bij de gift” zich er niet tegen dat de gever en een begiftigde op voorhand een uitsluitingsclausule overeenkomen voor de giften die de begiftigde van de gever zal ontvangen. De begiftigde moet dan deze uitsluitingsclausule wel hebben aanvaard. Als de uitsluitingsclausule door de echtgenoot van de begiftigde wordt betwist, moet de begiftigde bewijzen dat deze kennis heeft genomen van die eerdere uitsluitingsclausule en deze vervolgens heeft aanvaard.
Vervolgens oordeelt het hof dat de man een vergoedingsrecht heeft op de huwelijksgemeenschap, omdat zijn ouders aan hem een gift onder uitsluitingsclausule hebben verstrekt in de vorm van een kwijtschelding op een geldlening die de ouders aan de echtgenoten tezamen hadden verstrekt. Het hof stelt vast dat art. 6:10 BW er niet aan in de weg staat dat de schuldeisers niet aan beide maar aan een van de (hoofdelijke) schuldenaren een deel van de hoofdsom kwijtschelden.
Het vergoedingsrecht wordt berekend overeenkomstig artikel 1:87 lid 2 en lid 3 BW aangezien het vergoedingsrecht na 1 januari 2012 is ontstaan. Het hof stelt vast dat deze vergoeding moet worden berekend op grond van art. 1:96 lid 4 juncto art. 1:87 lid 2 onder b BW. Daarmee wijkt het hof af van hetgeen in de toelichting op de wettekst in de parlementaire geschiedenis in de Eerste Kamer is gesteld (Kamerstukken I 2008/09, 28 867, nr. C, p. 15-16). In de Memorie van Antwoord wordt – ondanks de wettekst van art. 1:87 lid 2 onder b BW – ervan uitgegaan dat art. 1:87 lid 2 onder a BW in deze situatie van aflossing van toepassing is, hetgeen betekent dat in de noemer moet worden vermeld de waarde van het goed op het moment van aankoop. Economisch gezien heeft de man echter geïnvesteerd op het moment van de aflossing. Om die reden dient voor de berekening van het vergoedingsrecht bezien te worden wat de waarde van het goed is op het moment van de aflossing. De man heeft dan het mogelijk profijt van een waardestijging van het goed of het nadeel indien het goed in waarde daalt. Het hof acht dat een redelijke uitkomst en acht het dan ook niet juist dat in de parlementaire geschiedenis letterlijk wordt afgeweken van de wettekst hetgeen in wezen contra legem is.
Meer informatie:
- Hof Den Haag 4 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:180