HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:137

Geplaatst op 24 februari 2026
Nog steeds geen volledige BOR bij schenking aandelen na ruziesplitsing

De schenker hield in 2011 via holding E B.V. een aanmerkelijk belang van 49% in tussenholding D B.V. De overige 51% in D B.V. werd gehouden door een derde. Tussenholding D B.V. hield een aantal dochtermaatschappijen waarin ondernemingen werden gedreven met als activiteiten het exploiteren van hoorcentra en optiekcentra. In 2011 heeft een splitsing van tussenholding D B.V. plaatsgevonden. Het gaat om een zogenoemde ‘ruziesplitsing’. Hierbij werden de activiteiten ‘horen’ en ‘zien’ verdeeld tussen de schenker en de derde. De schenker verkreeg via diens holding E B.V. het volledige gedeelte in ‘horen’ in de na splitsing ontstane nieuwe tussenholding D2 B.V. In 2012 heeft een afsplitsing plaatsgevonden van holding E B.V. van de schenker naar B B.V., een 100% (direct) aanmerkelijk belang van de schenker. Op 25 september 2013 heeft de schenker alle aandelen in B B.V. geschonken aan haar zoon, belanghebbende.
Uit de wet volgt volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2023:647) dat de schenker van aanmerkelijkbelangaandelen deze aandelen ten minste vijf jaren voorafgaande aan de schenking onafgebroken in bezit dient te hebben gehad (directe bezitstermijn) en dat de vennootschap waarvan de aandelen worden geschonken ten minste vijf jaren een onderneming dient te hebben gedreven (indirecte bezitstermijn). Indien de schenker een indirect aanmerkelijk belang heeft in een lichaam, moeten de ondernemingsactiviteiten van dat lichaam worden toegerekend aan de vennootschap waarvan de aandelen worden geschonken. Voorts moet bij een splitsing en bij een afsplitsing, op grond van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de bezitsperiode van de verkregen aandelen en die van de afgestane aandelen bij elkaar worden gevoegd als ware het één periode. Voor de indirecte bezitstermijn is ook van belang of de aan D. B.V. toegerekende activiteiten van haar dochtermaatschappijen één onderneming vormden en of schenker bij de splitsing van D B.V., via E B.V. een met haar indirecte aandelenbelang overeenstemmend gedeelte van die activiteiten heeft verkregen. Per onderneming moet namelijk worden beoordeeld of de schenker aan de indirecte bezitseis voldoet.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de schenker uiteindelijk de objectieve onderneming ‘horen’ heeft voortgezet en dat in dat kader de belangen bij de overige ondernemingen van D B.V. zijn uitgeruild. Het hof oordeelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van één objectieve onderneming. Voor de toename in de gerechtigdheid tot de objectieve onderneming ‘horen’ (51%) is een nieuwe bezitstermijn gaan lopen. De aanslag is correct. Belanghebbende gaat (opnieuw) in cassatie.
De Hoge Raad wijst er daarbij onder andere op dat belanghebbende slechts een beroep kan doen op de BOR voor zover de schenker voorafgaand aan de splitsing van D B.V. al (indirect) gerechtigd was tot de onderneming(en) op het gebied van de objectieve onderneming ‘horen’. Voor het meerdere is het procentuele (indirecte) belang van de schenker in die onderneming(en) namelijk uitgebreid als gevolg van de splitsing van D B.V., waarbij zij het volledige belang in die onderneming(en) verkreeg. Een dergelijke uitbreiding van de gerechtigdheid is iets anders dan de uitbreiding van de onderneming, waarbij het belang qua omvang gelijk blijft. In dit laatste geval zou geen nieuwe bezitstermijn gaan lopen. Hiervoor verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest uit 2020 (ECLI:NL:HR:2020:867). De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond.

Meer informatie: