Conclusie A-G Bartels 30 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:120

Geplaatst op 24 februari 2026
Tweetrapsmaking en legitieme: wat houdt de voorwaarde in en wat is de waarde van hetgeen een legitimaris alsdan krachtens erfrecht verkrijgt?

Erflater overlijdt met achterlating van twee kinderen, een zoon en een dochter. Hij heeft een testament gemaakt waarin een tweetrapsmaking ten aanzien van de kinderen als erfgenamen is opgenomen. In de tweetrapsmaking is bepaald dat het recht van de bezwaarde-erfgenaam eindigt bij faillissement of het van toepassing worden van de schuldsaneringsregeling. Op het moment van overlijden is de zoon failliet, dit faillissement wordt op een later moment omgezet in een schuldsaneringsregeling. De bewindvoerder heeft aanspraak gemaakt op de legitieme portie van de zoon.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de tweetrapsmaking niet tot gevolg heeft dat de zoon in het geheel geen erfgenaam is. De zoon heeft als erfgenaam rechten verkregen, zij het onder ontbindende voorwaarde. Nu de zoon de nalatenschap niet heeft verworpen, komt zijn erfrechtelijke verkrijging in mindering van zijn legitieme portie. De vraag ligt voor hoe de waarde van hetgeen de zoon als erfgenaam uit de nalatenschap heeft verkregen moet worden gewaardeerd (art. 4:71 BW). Vast staat dat de ontbindende voorwaarde direct na het overlijden in werking is getreden en dat de kinderen van de zoon toen zijn volledige erfdeel hebben ontvangen. Volgens het hof kan de waarde van de verkrijging van de zoon in dat licht niet anders dan op nihil worden gewaardeerd. Hieruit volgt dat de waarde van hetgeen in mindering moet worden gebracht bij de vaststelling van de omvang van de legitieme ook nihil is.
Volgens de A-G is een ‘voorwaarde om erfgenaam te zijn’ iets anders dan ‘voorwaardelijk erfgenaam’ zijn. Een nalatenschap valt maar één keer open en in geval van een tweetrapsmaking zijn zowel de bezwaarde als de verwachter direct erfgenaam en ook direct voorwaardelijk gerechtigd tot (de goederen van) de nalatenschap. Voor een effectieve tweetrapsmaking is nodig dat ‘de voorwaarde’ op het moment van overlijden toekomstig en onzeker is. Nodig is dat de bezwaarde wel erfgenaam wordt, wellicht maar voor heel even. Er is geen sprake van ‘heel even’ als op geen enkel moment toekomstig of onzeker is of de voorwaarde in vervulling gaat. De uitleg van het hof is volgens de A-G is niet te rijmen met het gegeven dat een making alleen als voorwaardelijk heeft te gelden indien er onzekerheid bestaat over de vervulling van die voorwaarde. Die onzekerheid ontbrak, nu de zoon ten tijde van het overlijden van erflater in staat van faillissement verkeerde. Er is géén moment geweest waarop de ontbindende voorwaarde van faillissement nog niet werd vervuld, en bijgevolg heeft de zoon dus ook niets verkregen als erfgenaam.
De A-G merkt nog op, dat als de erflater wil dat zijn nalatenschap zo min mogelijk valt in het faillissement van de beoogde erfgenaam, de tweetrapsmaking niet voor alle situaties een geschikt recept is. De ‘constructie’ past niet op de situatie dat het faillissement van de beoogde erfgenaam reeds aan de orde is op het moment van overlijden. Daarbij past (slechts) een voorwaarde in de betekenis van een vereiste: ik benoem mijn zoon X tot erfgenaam, mits hij op het tijdstip van mijn overlijden niet failliet is. Uiteraard kan in de uiterste wilsbeschikking wel een tweetrap worden opgenomen voor het geval de beoogde erfgenaam op het moment van overlijden van de erflater nog niet failliet verklaard is.
Ten aanzien van de waardering van hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt wanneer de zoon (toch) als (voorwaardelijk) erfgenaam zou verkrijgen, speelt de vraag of de voorwaardelijkheid van een erfrechtelijke making een drukkend effect heeft. Volgens de A-G krijgt de legitimaris als erfgenaam – anders dan onder het oude recht en anders dan in het oorspronkelijk wetsontwerp – de makingen zoals zij zijn, dus met eventuele voorwaarden. De legitimaris verkrijgt uit hoofde van die regeling een geldvordering op de gezamenlijke erfgenamen indien dat wat hij heeft verkregen (nog) niet correspondeert met de legitieme portie. Het gaat bij de legitieme portie dus om het resultaat in termen van waarde. Gelet hierop moet rekening worden gehouden met het waardedrukkende effect van eventuele voorwaarden aan een making, zoals het hof heeft geoordeeld. In mindering komt de werkelijke waarde van wat iemand krachtens erfrecht verkrijgt. De rechtspraktijk zou ermee zijn gediend indien de Hoge Raad bevestigt dat de voorwaardelijkheid van een erfrechtelijke making een drukkend effect heeft op de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt als bedoeld in art. 4:71 BW. Dit speelt volgens de A-G overigens met name in het (zich hier niet voordoende) geval waarin de legitimaris verwachter is.

Meer informatie: