Hof Den Haag 11 november 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2917

Geplaatst op 25 maart 2026
Facultatief finaal verrekenbeding moet ingeroepen worden jegens verwachters

Man en vrouw waren met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden waarin onder meer een facultatief finaal verrekenbeding is opgenomen. De man overlijdt. Op grond van het testament is de vrouw zijn erfgename onder een tweetrapsclausule (bezwaarde). De verwachters, familieleden van de man, zijn andere personen dan de erfgenamen van de vrouw.
Thans is in geschil of de vrouw tijdig een beroep heeft gedaan op het finaal verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden, waaraan een termijn van acht maanden was verbonden. Haar erfgenamen stellen dat de vrouw na het overlijden van de man stilzwijgend en vormvrij enkel aan zichzelf hoefde te verklaren dat zij een beroep heeft gedaan op het verrekenbeding. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verwachters van de man ook als zijn rechtverkrijgenden moeten worden aangemerkt als bedoeld in het finaal verrekenbeding. Jegens die rechtverkrijgenden had een beroep door de vrouw op het finaal verrekenbeding naar het oordeel van het hof mede gericht moeten worden. Van belang is in dit verband art. 4:138 lid 2 BW dat ziet op de interne verhouding tussen de bezwaarde en de verwachters. Krachtens dit artikellid heeft de bezwaarde – zolang de vervulling van de voorwaarde onzeker is – in beginsel een positie die vergelijkbaar is met een vruchtgebruiker zodat de vrouw een beroep op het finaal verrekenbeding mede aan de verwachters had moeten richten. Dit heeft de vrouw nagelaten.
Omdat de bezwaarde erfgename niet binnen de contractuele vervaltermijn dan wel binnen de verjaringstermijn jegens de verwachters een beroep heeft gedaan op het finaal verrekenbeding, behoort tot de nalatenschap van de vrouw geen vordering uit hoofde van het finaal verrekenbeding op de nalatenschap van de man.

Meer informatie: