De gelijke breukdelenfictie: een spelbreker voor flexibele estate planning (FBN 2026/8)

Geplaatst op 2 april 2026
Mr. M.M.J. Schuurman-van Nifterik

Per 1 januari 2026 is het ‘Breukdelenarrest’ gerepareerd met de nieuwe gelijke breukdelenfictie in de Successiewet. Ficties in de Successiewet hebben ten doel verkrijgingen die dicht tegen een verkrijging krachtens schenking of erfrecht aanschuren – maar dat civielrechtelijk niet zijn – te belasten. In dit artikel illustreert de auteur met behulp van voorbeelden de werking van de nieuwe gelijke breukdelenfictie en beoordeelt zij of deze haar doel bereikt. Hierbij wordt ingegaan op de civiele en fiscale knelpunten die samenhangen met de fictiebepaling.
Uit de vele reacties op de internetconsultatie en de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2026 blijkt dat een breukdelengemeenschap of een ongelijke verrekening niet louter en alleen worden overeengekomen uit fiscale overwegingen. De wetgever heeft echter niet willen voorzien in een tegenbewijsregeling. Daardoor zullen minder gemeenschappen of verrekenbedingen met ongelijke breukdelen tot stand komen en zal men op zoek gaan naar (suboptimale) alternatieven. Omdat de alternatieven op een juridisch veel complexere wijze (grotendeels) hetzelfde kunnen bereiken, lijkt art. 11 lid 4 SW toch ergens ook wel weer op een papieren fictie.
De conclusie is dat de bepaling zeker zijn doel voorbij schiet als de breukdelengemeenschap of het verrekenbeding één specifiek vermogensbestanddeel omvat. Als de mate van ongelijke gerechtigdheid overeenkomt met de eigendomsverhouding voor het aangaan van de beperkte gemeenschap of verrekenbeding, dan is naar de mening van de auteur een tegemoetkoming op zijn plaats. Het liefst door middel van een tegenbewijsregeling dat geen vermogen is verschoven. Zolang deze niet komt, kan een tegemoetkoming voor de fictieve verkrijging krachtens erfrecht mogelijk gevonden worden in art. 7 lid 1 SW. Voor de fictieve schenking biedt art. 7 SW helaas geen optie. Ook ontbreekt een tegemoetkoming voor de BOR. In alle gevallen mag de gelijke breukdelenfictie er niet toe leiden dat er meer schenk- of erfbelasting is verschuldigd ten opzichte van de situatie dat de partners civielrechtelijk in gelijke delen gerechtigd zouden zijn geweest tot de huwelijksgemeenschap of het verrekenbeding.

Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel FBN 2026/8.