Als gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om te vervreemden, vindt er zaaksvervanging plaats. De tweetrapsbepaling rust dan op hetgeen voor het vervreemde goed in de plaats komt. Bij gebruikmaken van de bevoegdheid tot schenken of nalaten vindt er geen zaaksvervanging plaats. Er zijn dan volgens de auteur twee visies mogelijk. Zijn visie is dat de schenking plaatsvindt ‘vanuit het fideicommissaire vermogen’. De bezwaarde maakt gebruik van zijn schenkingsbevoegdheid door een schenking aan de verwachter te doen en creëert ten laste van het fideicommissaire vermogen een schuld, die de bezwaarde met fideicommissaire middelen voldoet en verteert op die manier het fideicommissaire vermogen. In de visie van de Belastingdienst vindt de (uitvoering van de) schenking plaats ‘vanuit het eigen vermogen’ van de bezwaarde. De bezwaarde maakt gebruik van zijn schenkingsbevoegdheid, waardoor de tweetrapsmaking wordt opgeheven (zie het zogenoemde boerenplaatsje-arrest). Het voorwaardelijke karakter van het geschonken bedrag/goed eindigt voordat het overgaat naar de begiftigde. In dat geval is het in feite niet langer de schenker als bezwaarde, maar is het de schenker in eigen persoon die betaalt aan de verwachter (terwijl de schenker wel als bezwaarde had geschonken).
Het is niet gebruikelijk om het testamentair beschikken over fideicommissair vermogen als verteren te beschouwen; het lijkt dogmatisch ook zuiverder om met de Hoge Raad te zeggen dat op het moment van het openvallen van de nalatenschap het fideicommissaire goed door de beschikking (op basis van de boerenplaatsje-clausule) zijn voorwaardelijke karakter verliest (en dus tot het eigen vermogen en daarmee tot de nalatenschap van de bezwaarde behoort). Men zou – gelet op de aard van het fideicommis – de bevoegdheid van de bezwaarde echter ook kunnen kenschetsen als de bevoegdheid om het goed waarover wordt beschikt ‘uit het fideicommissaire vermogen’ te halen door daarover bij testament te beschikken. Dat is bij een schenkingsbevoegdheid nog beter invoelbaar: het geschonken goed wordt ‘uit het fideicommissaire vermogen’ gehaald door daarover bij gift te beschikken.
Wetssystematisch kwalificeert hij schenkingen die ten laste van het fideicommissaire vermogen worden gedaan aan een verwachter, zowel civielrechtelijk als fiscaalrechtelijk, als een verkrijging door de verwachter ‘van de insteller’. De bezwaarde is als het ware het doorgeefluik. Deze kwalificatie wordt echter betwist. De Belastingdienst is in ieder geval van mening dat de begiftigde ‘van de bezwaarde’ verkrijgt. De schenking zou (al dan niet op grond van art. 12 SW) volgens de auteur steeds moeten worden toegerekend aan het fideicommissaire vermogen en niet aan de ‘eigen’ nalatenschap van de bezwaarde. Hiermee wordt zijns inziens recht gedaan aan de aard van het fideicommis en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden van de bezwaarde.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel FTV 2026/3.