In welke gevallen en op welke wijze kan een door de rechter benoemde vereffenaar zich verhalen op een uitkering uit levensverzekering aan een derde-begunstigde als de nalatenschap van de erflater negatief is? Kennis van de begunstigingsvorm is een vereiste voor een juiste aanpak.
Op grond van art. 4:216 BW jo. 4:128 BW jo. 4:126 lid 2 onder b BW kan een door de rechter benoemde vereffenaar een uitkering uit levensverzekering in beginsel geheel of gedeeltelijk terugvorderen van de derde-begunstigde wanneer de derde-begunstiging is aan te merken als een gift in de zin van art. 7:188 BW. In het najaar van 2025 oordeelt de Hoge Raad ten aanzien van de vraag naar welk moment beoordeeld moet worden of de aanwijzing van een derde-begunstigde bij een levensverzekering moet worden aangemerkt als een gift en of de vereffenaar binnen drie jaar nadat de derde-begunstigde de uitkering heeft ontvangen een eis in rechte moet hebben ingesteld om die uitkering te kunnen terugvorderen.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de beoordeling of er sprake is van een gift moet geschieden met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden, ook voor zover die zich hebben voorgedaan vóór het tijdstip waarop de begunstigde aanspraak heeft of kan maken op de uitkering. Beoordeling alleen op het moment waarop de derde-begunstigde aanspraak heeft of kan maken op de uitkering is niet voldoende. De voorgeschiedenis rond de begunstiging moet daarbij betrokken worden. Ook oordeelt de Hoge Raad dat de wettekst noch de wetsgeschiedenis enige aanwijzing bevat voor de gedachte dat binnen drie jaar in rechte aanspraak moet zijn gemaakt op het terug te vorderen bedrag. Een sommatie buiten rechte voldoet eveneens, mits gedaan binnen de vervaltermijn van drie jaar.
Minstens zo belangrijk is de bij geen enkele instantie aan de orde gekomen vraag of art. 4:216 BW in deze zaak wel van toepassing was. Of de begunstiging als een gift is aan te merken, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de verzekeringnemer de derde ten koste van zijn eigen vermogen verrijkt. Deze regeling is daarom alleen van toepassing op de begunstiging van een derde en niet op de begunstiging waarbij de verzekeringnemer de uitkering voor zichzelf heeft bedongen. Voor de uiteindelijke uitkomst maakt het in de casus van het arrest allemaal niet uit, omdat het hof tot eenzelfde uitkomst zou zijn gekomen op basis van het leerstuk ongerechtvaardigde verrijking.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel JBN 2026/3.