Heeft de partnerverklaring nog toekomst? (JBN 2026/11)

Geplaatst op 8 april 2026
Prof. dr. W.M.A. Kalkman

De partnerverklaring bij een hypothecaire geldlening heeft in het verleden, maar ook nog steeds in het heden, de pennen regelmatig in beweging gebracht. De partnerverklaring was in de vorige eeuw een civielrechtelijke vondst, maar inmiddels is er veel veranderd in de wetgeving, die van invloed is op (de keuze voor) een partnerverklaring en zijn er veel meer complexere familieverhoudingen ontstaan, waardoor de vraag gesteld kan worden of de partnerverklaring nog toekomst heeft.
Een partnerverklaring is een voorwaardelijke begunstiging van de langstlevende partner op een levensverzekering in combinatie met een opdracht van hem aan de levensverzekeraar om de uitkering uit de levensverzekering te betalen aan de hypotheekhouder, die daarmee de hypotheekschuld van de partners (geheel of gedeeltelijk) aflost. Het primaire doel van de partnerverklaring was van oorsprong civielrechtelijk, namelijk de versterking van de positie van de langstlevende echtgenoot ten opzichte van de (overige) erfgenamen van de overleden partner. De fiscaalrechtelijke kant, het betalen van (minder) successierecht/erfbelasting, werd ondergeschikt gevonden aan dat primaire doel. Onder het vóór 1 januari 2003 geldende erfrecht kon het uitbetalen van de erfgenamen over het algemeen goed worden voorkomen door het laten opstellen van een testament met een ouderlijke boedelverdeling (art. 4:1167 oud BW). Desondanks bleek er een maatschappelijke behoefte te bestaan aan een alternatieve en eenvoudige (niet-notariële) manier tot versterking van de positie van de langstlevende partner tegenover de (overige) erfgenamen.
De vraag of de partnerverklaring nog zin heeft, kan met name gesteld worden in verband met de invoering van het nieuwe erfrecht per 1 januari 2003 en het nieuwe verzekeringsrecht per 1 januari 2006. Het nieuwe erfrecht heeft via de introductie van de wettelijke verdeling de partnerverklaring in civielrechtelijk opzicht feitelijk overbodig gemaakt als het enkele doel is om de langstlevende partner ongestoord in de echtelijke woning te laten wonen. Door de invoering van het nieuwe verzekeringsrecht per 1 januari 2006, waarbij de begunstigde als hoofdgerechtigde of beperkt gerechtigde kan worden aangewezen, is de partnerverklaring op zich niet meer nodig. Verder hebben wijzigingen in de Successiewetgeving effect gehad op de omvang van de heffing van erfbelasting in het geval van een crediteursbegunstiging of partnerverklaring. Ook de feitelijke afschaffing van de traditionele levenhypotheek per 1 januari 2013 heeft geleid tot het minder snel onder de aandacht brengen van een partnerverklaring bij het sluiten van een annuïtaire- of lineaire hypotheek.
De partnerverklaring blijft relevant voor situaties die niet onder de wettelijke verdeling van art. 4:13 BW vallen. Wanneer het de bedoeling is om de vorderingen van de overige erfgenamen ten opzichte van de langstlevende partner in de nalatenschap van de erflater te verkleinen, kan de partnerverklaring ook een nuttige functie vervullen. Hierbij moet wel aandacht zijn voor de onderlinge -vaak ingewikkelde- familieverhoudingen, in het bijzonder wanneer sprake is van een samengesteld gezin. Hoe dat het beste kan, is echt maatwerk in advisering.

Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel JBN 2026/11.