In diverse arresten bij Hof 's-Hertogenbosch, Hoge Raad en Hof Arnhem-Leeuwarden staat de vraag centraal of de man, als informeel samenwoner, ter zake van de door hem gedane investeringen in een gezamenlijke woning een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw, zijn ex-partner. In dit artikel worden deze arresten behandeld.
Bij het verwijzingshof speelde opnieuw de vraag of de man een vergoedingsrecht heeft verkregen jegens de vrouw en met name op welke grondslag dat vergoedingsrecht zou kunnen worden gebaseerd. De man had zich bij het hof ’s-Hertogenbosch onder andere beroepen op art. 6:6 lid 2 BW jo. 6:10 lid 2 BW, maar daar was het hof toen niet aan toegekomen. Inmiddels is echter duidelijk dat art. 6:10 lid 2 BW een grondslag kan bieden voor het ontstaan van een vergoedingsrecht tussen samenwoners, mits uiteraard sprake is van de situatie uit art. 6:10 lid 2 BW en de samenwoners hoofdelijk voor een bepaalde schuld zijn verbonden. Dit blijkt uit het arrest van de Hoge Raad uit 2025, dat naast de vorderingen tot vergoeding ook de daarmee corresponderende schulden niet in de huwelijksgemeenschap vallen. Het verbaast daarom ook niet dat het hof Arnhem-Leeuwarden tot de conclusie is gekomen dat het beroep van de man op art. 6:10 lid 2 BW slaagt. Het stond immers vast dat zowel man als vrouw hoofdelijk aansprakelijk waren voor de overbruggingslening en omdat de man meer dan de helft van de schuld heeft voldaan, heeft hij een (nominale) vergoedingsvordering op de vrouw verkregen. De vrouw heeft echter een beroep gedaan op verjaring en dat wordt door het hof gehonoreerd, zodat de man alsnog met lege handen achterblijft. De auteur merkt op dat er verschillende andere mogelijkheden zijn om aan de gevolgen van een geslaagd verjaringsberoep te ontkomen, zoals het doen van een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Men blijft hierbij echter wel steeds afhankelijk van de (welwillendheid van de) rechter.
De man had in deze zaak, naast zijn beroep op art. 6:10 lid 2 BW, ook nog een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw, een onrechtmatige daad van de vrouw en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Het hof heeft al deze beroepen echter afgewezen, omdat deze ook zouden zijn verjaard respectievelijk daartoe onvoldoende was gesteld door de man. Het lukt samenwoners in het algemeen overigens zelden om een geslaagd beroep te doen op één van deze grondslagen. Dit artikel laat zien hoe belangrijk het is voor samenwoners om tijdig afspraken te maken en deze notarieel – of anders op zijn minst schriftelijk – vast te leggen. Op die manier kan de notaris partijen goed adviseren over veel voorkomende situaties en vastleggen in welke situaties een vergoedingsrecht ontstaat, of de vergoedingsvordering dan nominaal is of niet en wanneer deze opeisbaar wordt c.q. wanneer de verjaringstermijn aanvangt.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel JBN 2026/13.