HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:568

Geplaatst op 20 april 2026
Doorkijkarresten overdrachtsbelasting zien op het verkregen object, niet op de verkrijger

De BV van de zonen heeft aandelen verkregen in een art. 4 WBR-lichaam van de BV van vader. In de aangifte voor de overdrachtsbelasting heeft de BV een beroep gedaan op de vrijstelling van art. 15 lid 1 onder b WBR. Volgens de BV leiden de doorkijkarresten ertoe dat door de juridische huls van de rechtspersonen moet worden gekeken. Alsdan is sprake van een (gefaseerde) bedrijfsopvolging tussen een vader en zijn kinderen.
De Hoge Raad verwerpt het betoog van de BV. De doorkijkarresten in de overdrachtsbelasting bieden geen oplossing om de bedrijfsopvolgingsvrijstelling te mogen toepassen bij de verkrijging van aandelen door een rechtspersoon. Ook niet als de overdracht in de familiesfeer plaatsvindt. De wet vereist namelijk dat de verkrijger het kind zelf is. De doorkijkarresten zijn bij een objectieve vrijstelling in de overdrachtsbelasting alleen van toepassing als de vrijstelling van toepassing zou zijn bij een rechtstreekse verkrijging van het vastgoed. Die arresten zien dus alleen op het object (aandelen of echte onroerende zaken) en niet op de vervreemder of verkrijger.

Meer informatie: