De man heeft tijdens huwelijk (indirect) geïnvesteerd in de woning van de vrouw door af te lossen op de hypothecaire geldlening en renovatiekosten uit zijn eigen vermogen te voldoen. Het hof oordeelt dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw. Het vergoedingsrecht wordt berekend overeenkomstig artikel 1:87 lid 2 en lid 3 BW aangezien het vergoedingsrecht na 1 januari 2012 is ontstaan. Het hof stelt vast dat deze vergoeding moet worden berekend op grond van art. 1:87 lid 2 onder b BW. Daarmee wijkt het hof af van hetgeen in de toelichting op de wettekst in de parlementaire geschiedenis in de Eerste Kamer is gesteld (Kamerstukken I 2008/09, 28 867, nr. C, p. 15-16). In de Memorie van Antwoord wordt – ondanks de wettekst van art. 1:87 lid 2 onder b BW – ervan uitgegaan dat art. 1:87 lid 2 onder a BW in deze situatie van aflossing van toepassing is, hetgeen betekent dat in de noemer moet worden vermeld de waarde van het goed op het moment van aankoop. Economisch gezien heeft de man echter geïnvesteerd op het moment van de aflossing. Om die reden dient voor de berekening van het vergoedingsrecht bezien te worden wat de waarde van het goed is op het moment van de aflossing. De man heeft dan het mogelijk profijt van een waardestijging van het goed of het nadeel indien het goed in waarde daalt. Het hof acht dat een redelijke uitkomst en acht het dan ook niet juist dat in de parlementaire geschiedenis letterlijk wordt afgeweken van de wettekst hetgeen in wezen contra legem is.
Hoewel in het onderhavig geval geen sprake was van een vergoedingsrecht dat is ontstaan door maandelijkse aflossingen, overweegt het hof dat art. 1:87 lid 2 onder b BW ook in die gevallen van toepassing is. Wat betreft de praktische uitvoerbaarheid wijst het hof op de mogelijkheid de vergoeding te schatten (art. 1:87 lid 5 BW).
Meer informatie:
- Hof Den Haag 18 maart 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:551