Als het saldo rood kleurt: art. 1:141 BW bij een negatief vermogen (JBN 2026/26)

Geplaatst op 30 juli 2026
Mr. N. van den Berg

Bij de vermogensrechtelijke afwikkeling van een huwelijk leiden niet-uitgevoerde periodieke verrekenbedingen vaak tot geschillen. Dit artikel bespreekt – aan de hand van een recente uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden – of en zo ja hoe een per saldo negatief vermogen van een echtgenoot in de eindverrekening moet worden betrokken.
De Hoge Raad overwoog reeds in 2002 dat aan niet-uitgevoerde verrekenbedingen het gevolg moest worden verbonden dat partijen bij het einde van het huwelijk alsnog tot verrekening moeten overgaan. In deze verrekening wordt ook betrokken de vermogensvermeerdering die is ontstaan door belegging van hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard, maar ongedeeld is gebleven. Deze jurisprudentie is inmiddels verankerd in art. 1:141 lid 1 BW. Veelal komt een discussie over het verrekenbeding pas bij einde van het huwelijk aan de orde. In dat geval komt art. 1:141 lid 3 BW met een bewijsvermoeden: in beginsel wordt het gehele bij de echtgenoten aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen eigenlijk had moeten worden verrekend, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. De vraag kan rijzen hoe moet worden omgegaan met de situatie waarin het bij een echtgenoot aanwezige vermogen op de peildatum per saldo negatief is. Wordt dit negatieve vermogen dan eveneens in een dergelijke eindafrekening tussen de echtgenoten betrokken, of blijft dit buiten beschouwing?
De overwegingen van het hof zijn helder. Hoewel uit een arrest van de Hoge Raad uit 2024 volgt dat ook schulden van een echtgenoot in de afwikkeling van een niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding kunnen worden betrokken, maakt dit niet dat een per saldo negatief vermogen van een echtgenoot ingevolge art. 1:141 BW in de eindverrekening wordt betrokken. Bezwaarlijk kan immers worden gesteld dat een negatief vermogen een opbrengst is van overgespaarde inkomsten. In het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich mee dat een negatief vermogen van een echtgenoot niet hoeft te worden verrekend. In zoverre sluit het oordeel van het hof aan op de in de literatuur heersende rechtsopvatting. De onderhavige kwestie illustreert bovendien dat de gevolgen van een niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding wel degelijk kunnen verschillen van een finaal verrekenbeding waarbij wordt afgerekend alsof de echtgenoten in de ‘algehele’ gemeenschap van goederen waren gehuwd. Wordt in de huwelijkse voorwaarden zowel een periodiek verrekenbeding als een dergelijk finaal verrekenbeding (waarbij de verrekening dus achterwege blijft bij een negatief vermogen van (een van) de echtgenoten) overeengekomen, dan dient men goed stil te staan bij het samenspel tussen deze categorieën van verrekenbedingen. Als uitgangspunt geldt immers dat een finaal verrekenbeding in de plaats komt van het niet-uitgevoerde periodiek verrekenbeding, maar een en ander blijft afhangen van de omstandigheden van het geval.

Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel JBN 2026/26.