Op 5 september 2025 oordeelde de Hoge Raad dat een gift die wordt gedaan door een schenker die in gemeenschap van goederen is gehuwd in het kader van de berekening van de legitimaire massa uitsluitend wordt toegerekend aan de schenker zelf, ook al komt de gift via de huwelijksgoederengemeenschap feitelijk mede ten laste van de andere echtgenoot.
De Hoge Raad bevestigt, met een beroep op de wetsgeschiedenis, de ‘leer van de formele schenking’; voor de legitieme is bepalend wie de schenker is, ook als de andere echtgenoot – via de gemeenschap van goederen – ‘meebetaalt’, wordt de gift voor het geheel in aanmerking genomen bij de vaststelling van de legitimaire massa van de schenker. De uitspraak van de Hoge Raad is duidelijk, maar niet zeer verrassend. Het gegeven dat giften die economisch slechts voor een gedeelte ten laste van het vermogen van de schenker zijn gekomen toch voor het geheel tot de legitimaire massa gaan behoren, leidt wel tot vreemde uitkomsten. Legitimarissen krijgen hierdoor immers een claim op de waarde van vermogen dat zonder de gift niet tot de legitimaire massa zou hebben behoord, en omgekeerd kan de legitimaire massa van de niet-schenkende echtgenoot behoorlijk worden verkleind door giften die de andere echtgenoot doet.
Voor de praktijk betekent de leer van de formele schenking natuurlijk wel dat het onder omstandigheden flink kan uitmaken wie van de (in gemeenschap van goederen gehuwde) echtgenoten schenkt. Dat is niet alleen van belang als er een nalatenschap moet worden afgewikkeld waarbij legitimarissen figureren, maar ook voor de advisering bij leven van de cliënten. Een aandachtspunt is dat het voorgaande niet geldt bij ‘papieren’ schenkingen, aangezien deze worden beschouwd als schenkingen ter zake des doods en derhalve op grond van het bepaalde in art. 1:94 lid 7 sub c BW leiden tot het ontstaan van een privé-schuld van de schenkende echtgenoot, zodat de niet-schenkende echtgenoot niet aan deze schenkingen meebetaalt. Uiteraard kunnen de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden hiervan afwijken en daarnaast geldt de genoemde regeling alleen als de gemeenschap na 2011 is ontstaan.
Een ander aandachtspunt bij de vraag wie van de echtgenoten de schenker is, is de bestuursbevoegdheid. Het is goed om te beseffen dat de bestuursregeling sinds 1992 een goederenrechtelijke aangelegenheid is – een kwestie van beschikkingsbevoegdheid – en niet meer ziet op de vraag wie van de echtgenoten bevoegd is om obligatoire rechtshandelingen aan te gaan met betrekking tot goederen die tot de gemeenschap behoren. Het behoeft geen betoog dat schenkingsakten in gevallen waarin het de bedoeling is dat de niet-bestuursbevoegde echtgenoot (eveneens) als schenker optreedt, nauwkeurig geformuleerd dienen te worden; een verlening van toestemming als bedoeld in art. 1:88 lid 1 sub b BW kan al een indicatie zijn dat de niet-bestuursbevoegde echtgenoot geen (mede-)schenker is.
Uiteraard heeft de vraag wie de schenker is onder omstandigheden ook nog een fiscale dimensie. Voor de toepassing van de Successiewet houdt de Belastingdienst in sommige situaties, ook als een van de echtgenoten schenkt, in de uitvoeringspraktijk vast aan een ‘economische benadering’, maar het is de vraag of dit zonder uitdrukkelijke wettelijke bepaling te handhaven is na deze niet mis te verstane uitspraak van de Hoge Raad, aangezien in fiscalibus de hoofdregel geldt dat het fiscale recht het civiele recht volgt.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel JBN 2026/23.