Potovereenkomst of huwelijkse voorwaarde? (JBN 2026/22)

Geplaatst op 30 juli 2026
Prof. mr. W.G. Huijgen

Echtgenoten die op huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd hebben tijdens hun huwelijk een zogenoemde ‘potovereenkomst’ in onderhandse vorm gesloten. De vraag rijst of die potovereenkomst een uitvoeringsovereenkomst is ten aanzien van het periodieke verrekenbeding dat in de huwelijkse voorwaarden is opgenomen of dat in feite sprake is van een nadere huwelijkse voorwaarde. De in dit artikel besproken zaak betreft een beslissing van de Hoge Raad op een eerdere terugverwijzing door de Raad in zijn cassatiebeslissing uit 2019.
Het essentiële onderscheid tussen een nadere overeenkomst inzake de uitvoering van een (verreken)beding uit de huwelijkse voorwaarden en de huwelijkse voorwaarde zelf is dat het resultaat van eerstbedoelde overeenkomst binnen de kaders van het verrekenbeding uit de huwelijkse voorwaarden zelf dient te blijven. Wat moet worden verstaan onder het feit dat het resultaat van de nadere uitvoeringsovereenkomst binnen de kaders van het verrekenbeding moet blijven? Uit eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat voor de rechtspraktijk die zich bezighoudt met het opstellen van dergelijke overeenkomsten in situaties waarbij er – soms jaren nadat er jarenlang tussen echtgenoten niet periodiek is afgerekend en al of niet in het kader van een echtscheiding – toch zeker enige ruimte bestaat om die afrekening vorm te geven. In een eerder arrest uit 2020 heeft de Hoge Raad daarbij wel de uiterste kaders aangegeven waarbinnen zo'n concrete nadere verrekenovereenkomst dient vorm te krijgen. De Hoge Raad stelt in laatstgenoemd arrest voorop dat de wettelijke regeling over verrekenbedingen geen voorschriften bevat die bepalen op welke manier in concreto tussen echtgenoten moet worden afgerekend. Die overweging geldt ook ten aanzien van in de rechtspraktijk opgestelde nadere verrekenovereenkomsten. Dat dient dan zo te worden verstaan dat ook die aan rechterlijke controle en uiteindelijk aan cassatierechtspraak onderworpen zijn en in ieder geval alle beleggingen en herbeleggingen die relevant zijn in het licht van de regelgeving inzake periodieke verrekenbedingen daarin verdisconteerd moeten zijn. Het niet in de verrekening betrekken van alle te verrekenen vermogensbestanddelen vormt dus een rode lijn bij het opstellen van concrete verrekenovereenkomsten. De advocaat, notaris of mediator die bij het opstellen van zo'n overeenkomst betrokken is, zal partijen hier ook uitdrukkelijk op moeten wijzen.

Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel JBN 2026/22.