De Hoge Raad heeft op 16 mei vorig jaar in antwoord op prejudiciële vragen beslist dat de bewindvoerder van een meerderjarigenbewind heeft te gelden als ‘wettelijke vertegenwoordiger’ in de zin van art. 4:193 BW. De uitspraak maakt een einde aan een lang voortslepende principiële discussie in literatuur en rechtspraak. De oorzaak van de discussie is een onduidelijke afstemming van de regels in Boek 4 BW ten opzichte van die van Boek 1 BW. De Hoge Raad heeft een knoop doorgehakt en schept daarmee de voor de praktijk gewenste duidelijkheid. Duidelijk is nu immers dat art. 4:193 lid 1 en 2 BW ook geldt voor de bewindvoerder van het meerderjarigenbewind, zodat ook hij binnen de in deze bepalingen genoemde termijn van drie maanden een keuze moet maken tussen (beneficiair) aanvaarden of verwerpen. In dit artikel wordt ingegaan op de gevolgen van de uitspraak voor de rechtspraktijk en met name voor degene wiens goederen onder een meerderjarigenbewind zijn gesteld.
De rechtspraktijk is bij de heldere uitspraak zeer gebaat. De rechthebbende wordt door de uitspraak echter beperkt, omdat hem een zekere invloed op de keuze om een nalatenschap te verwerpen is ontnomen. De vraag is hoe zwaar deze beperking weegt ten opzichte van de adequate rechtsbescherming die hij van art. 4:193 lid 2 BW ondervindt en het belang van rechtszekerheid en hanteerbaarheid van de regelgeving voor de rechtspraktijk. Het antwoord hangt af van het perspectief van waaruit men de uitspraak bekijkt.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel JBN 2026/17.