In dit artikel wordt ingegaan op het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026, welk arrest betrekking heeft op de vraag naar de reikwijdte van art. 4:59 lid 1 BW. Het arrest levert de nodige hoofdbrekens op. Alle stappen van de Hoge Raad zijn begrijpelijk en goed navolgbaar, maar toch blijft er iets knagen. Was er ook een andere uitkomst denkbaar? Had de rechter in het licht van het latere huwelijk ook alleen de uitsluiting van de wilsrechten kunnen aanmerken als door de weduwe getrokken voordeel en alleen deze uiterste wilsbeschikking vernietigbaar kunnen achten? Is het denkbaar dat een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid had kunnen slagen in verband met het feit dat de ‘verboden’ beschikking als bedoeld in art. 4:59 lid 1 BW later is gevolgd door een huwelijk? Onder bepaalde geheel andere omstandigheden lijkt dat zeker niet uitgesloten. De auteur denkt echter dat de feitenrechters en de Hoge Raad – binnen de grenzen van het recht – alle middelen hebben aangegrepen om tot het bereikte resultaat te komen. Een (waarschijnlijk) veel jongere verzorgster die een affectieve relatie aangaat met een oude zieke man wiens echtgenote minder dan drie maanden geleden is overleden, kan niet op veel sympathie rekenen. Onder de gegeven omstandigheden valt het oordeel van de Hoge Raad alleszins te billijken.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel JBN 2026/16.