Ter gelegenheid van het 35-jarig bestaan van JBN kijkt de auteur terug op zijn eerste bijdragen aan JBN. Eén daarvan ging over het dwalingsleerstuk in het relatievermogensrecht. Dat thema verdient hernieuwde aandacht, nu het recentelijk wederom aan de orde is gekomen in een beschikking van Hof Den Haag van 16 juli 2025. In dit artikel bespreekt de auteur die uitspraak.
Voor gescheiden echtgenoten die hertrouwen is het van belang art. 1:166 BW niet over het hoofd te zien. Zij beginnen immers niet met een schone lei, maar zetten hun oorspronkelijke huwelijksgoederenregime voort. Ook als echtgenoten voor hun eerste huwelijk huwelijkse voorwaarden hebben opgemaakt, dan herleven die voorwaarden bij hun hertrouwen. Willen ze die huwelijkse voorwaarden niet meer, dan zullen ze bij de notaris nieuwe huwelijkse voorwaarden moeten opstellen. Wanneer echtgenoten hun eerste huwelijk zijn aangegaan zonder het maken van huwelijkse voorwaarden en in de tussentijd door een wetswijziging de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen is gewijzigd, dan zal de oude gemeenschap van goederen wederom van toepassing zijn op hun tweede huwelijk. Willen ze dat niet, dan zullen ze daarvan bij huwelijkse voorwaarden moeten afwijken. Voor geregistreerde partners geldt hetzelfde uitgangspunt: bij het opnieuw aangaan van een geregistreerd partnerschap worden alle gevolgen van het (eerste) geregistreerd partnerschap geacht steeds te hebben bestaan alsof er geen beëindiging daarvan heeft plaatsgevonden (art. 1:80g BW).
Onbekendheid met art. 1:166 BW is geen reden om daaraan de werking te ontzeggen. Een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, (rechts)dwaling of een afwijking van een verdeling bij helfte is tevergeefs. Wie wil voorkomen dat bij hertrouwen het huwelijksvermogensregime van het eerste huwelijk herleeft, moet huwelijkse voorwaarden maken.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel JBN 2026/15.