Hof Den Haag heeft begin 2026 twee belangrijke uitspraken gedaan over de huwelijksvermogensrechtelijke problematiek van het zogenoemde ‘beleggen met voorkennis’. Anders dan eerder in soortgelijke zaken hierover door andere rechters is overwogen, komt het Haagse hof volgens de auteur tot het wenselijke oordeel dat toepassing van art. 1:87 lid 2 sub b BW het hiervoor bedoelde beleggen met voorkennis blokkeert. De wetsgeschiedenis wordt daartoe opzijgezet. Naar aanleiding van deze uitspraken wordt deze thematiek in dit artikel besproken.
In het huwelijksvermogensrecht – en ook in het relatievermogensrecht in bredere zin, met name daar waar het informeel samenwoners betreft – is de laatste jaren veel aandacht voor de thematiek van de vergoedingsrechten. Sinds 2012 bevat art. 1:87 BW een algemene regeling voor het ontstaan van vergoedingsrechten bij vermogensverschuivingen tussen de privévermogens van echtgenoten. Soortgelijke vergoedingsrechten kunnen ontstaan als de huwelijksgemeenschap bij een vermogensverschuiving betrokken is (art. 1:95 lid 1 en 2 en art. 1:96 lid 4 en 5 BW). Voor geregistreerd partners gelden deze regels ook (art. 1:80b BW), maar voor (in)formele samenwoners niet. Deze laatste groep moet zich in onder meer dit verband behelpen met het algemene vermogensrecht. In dit artikel staat in het bijzonder de toepassing van art. 1:87 lid 2 BW centraal. In dit lid zijn twee rekenmethoden te vinden om de hoogte van het op grond van onder meer art. 1:87 lid 1 BW ontstane vergoedingsrecht te berekenen. Bovendien is in de eerste volzin van art. 1:87 lid 2 BW de peildatum voor de berekening van de omvang van het vergoedingsrecht te vinden. De vergoeding beloopt een gedeelte van de waarde van het goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan, aldus lid 2. Het is dus van belang om te weten wat de waarde is van het goed waarin is geïnvesteerd op het moment waarop het vergoedingsrecht wordt voldaan. Art. 1:87 lid 2 sub a BW bepaalt vervolgens dat de vergoeding in het geval van een verkrijging ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot (de echtgenoot-investeerder) evenredig is aan het uit diens vermogen afkomstige aandeel in de tegenprestatie voor het goed. Art. 1:87 lid 2 sub b BW bepaalt dat de vergoeding in het geval van een voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot (de echtgenoot-investeerder) overeenkomt met de verhouding tussen het uit diens vermogen voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van het goed op het tijdstip van die voldoening of aflossing.
Het gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat huwelijksvermogensrechtelijk beleggen met voorkennis niet mogelijk is ingeval staande het huwelijk uit privévermogen van een echtgenoot wordt afgelost op de hypothecaire geldlening die is afgesloten ter financiering van de verkrijging van de woning die tot het privévermogen van de andere echtgenoot behoort. Voor varianten van deze situatie alsmede van kwijtscheldingssituaties geldt hetzelfde. De uitkomst van de uitspraken is wenselijk en sluit aan bij het rechtsgevoel. Het is te hopen dat de Hoge Raad spoedig de kans krijgt om zich hierover uit te laten.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel FTV 2026/15.