Bezitseis bij uitbreiding (gerechtigdheid tot de) onderneming (FTV 2026/12)

Geplaatst op 30 juli 2026
Mr. A.M.A. de Beer

Om invulling te geven aan de reële bedrijfsopvolging kent de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet (BOR) onder andere een bezitseis. De bezitseis in geval van schenking van aanmerkelijkbelangaandelen is tweeledig. Ten eerste moet de schenker gedurende vijf jaren voorafgaand aan de schenking aanmerkelijkbelanghouder zijn geweest van de aandelen (directe bezitseis). Ten tweede moet de vennootschap gedurende vijf jaren een onderneming hebben gedreven (indirecte bezitseis). Bij een houdsterstructuur worden de activiteiten van de vennootschap waarin de schenker een indirect aanmerkelijk belang heeft, toegerekend aan de vennootschap waarin de schenker een direct aanmerkelijk belang heeft. De beoordeling of aan de indirecte bezitseis is voldaan, vindt vervolgens plaats op basis van de toerekeningsbalans, ook wel consolidatiebalans genoemd.
Over de toepassing van de bezitseis bij uitbreiding van een onderneming door overname heeft de Hoge Raad zich in een tweetal arresten uitgelaten in 2020. In één arrest betrof het de aankoop van een onderneming (activa/passiva) door de werkmaatschappij. In het andere arrest stond de aanschaf van aandelen in werkmaatschappijen centraal. In 2026 heeft de Hoge Raad zich vervolgens uitgelaten over de vraag of voor de uitbreiding van de gerechtigdheid van een lichaam tot de onderneming een indirecte bezitstermijn aanvangt. In dit artikel staat de toepassing van de indirecte bezitseis bij de uitbreiding van de (gerechtigdheid tot de) onderneming centraal. Daarbij gaat de auteur in op de op dat vlak relevante wijzigingen in de bezitseis per 1 januari 2026.
Met zijn arrest in 2026 maakt de Hoge Raad definitief duidelijk dat voor de uitbreiding van de subjectieve gerechtigdheid tot de objectieve onderneming een separate indirecte bezitstermijn aanvangt. Daarmee is niet gezegd dat de toepassing van de bezitseis bij uitbreiding van (de gerechtigdheid) tot een onderneming volledig is uitgekristalliseerd. Het grote bezwaar van de bezitseis is dat ook gevallen van reële bedrijfsopvolging, dus waarin geen sprake is van oneigenlijk gebruik van de BOR, worden getroffen. Dat de bezitseis onder omstandigheden is te omzeilen, is uiteraard prettig voor de praktijk, maar het illustreert wel het manco van de regeling. Voor de bezitseis vanaf 1 januari 2026 staat overigens zowel voor de directe als indirecte bezitstermijn de subjectieve gerechtigdheid van de schenker of erflater tot de onderneming centraal.

Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel FTV 2026/12.