Informele samenlevers en het finaal verrekenbeding (Vp-Bulletin 2026/17)

Geplaatst op 30 juli 2026
Mr. L.A.G.M. van der Geld

Bij informele samenlevers is er geen wettelijke gemeenschap van goederen, noch kan deze als zodanig worden overeengekomen. Nederland kent immers geen wettelijk kader dat de vermogensrechtelijke verhoudingen voor informele samenlevers regelt. Informele partners vallen buiten de reikwijdte van het huwelijksvermogensrecht. Deze partners kunnen wel een obligatoire gemeenschap van goederen overeenkomen, ook wel een finaal verrekenbeding, alsof-beding of pseudogemeenschap genoemd. Bij het einde van het huwelijk – door ‘scheiding’ of door overlijden – wordt dan verrekend alsof een gemeenschap van goederen tussen de partners bestaat. Recent is er meer duidelijkheid gekomen over hoe een finaal verrekenbeding dat informele samenlevers overeenkomen, fiscaal wordt behandeld. In dit artikel wordt in hoofdlijnen ingegaan op de civielrechtelijke en de fiscale aspecten van een finaal verrekenbeding in een samenlevingscontract.
Voor het vormgeven van een finaal verrekenbeding kan inspiratie worden gevonden in afdeling 1.8.2 BW en in modelteksten van huwelijkse voorwaarden. Ook de jurisprudentie over het finaal verrekenbeding biedt inspiratie. Zo zal in het samenlevingscontract duidelijk gemaakt moeten worden wat de omvang is van de te verrekenen gemeenschap van goederen: algeheel (van vóór 2018) of beperkt (van na 2018). Uiteraard kan de omvang van de te verrekenen gemeenschap nog verder worden beperkt, aangezien het een ‘obligatoire gemeenschap van goederen’ betreft. Ook zal uitgewerkt moeten worden wat het bestaan van vergoedingsrechten op het moment van verrekenen betekenen voor het finaal verrekenbeding. Worden vergoedingsvorderingen en -schulden al dan niet in de verrekening betrokken? Als dit niet duidelijk is geregeld in het samenlevingscontract zal dit moeten worden uitgelegd. Ook moet er aandacht zijn voor erfrechtelijke verkrijgingen en giften, waaraan al dan niet een uitsluitingsclausule is verbonden. De wettelijke default van art. 1:133 lid 2 BW geldt hier immers niet. Ook wordt gekozen wat het tijdstip van verrekening is: alleen bij overlijden en/of het einde van de samenwoning tijdens leven (‘scheiding’). Het is daarbij mogelijk te bepalen wanneer er geen verrekening plaatsvindt. In overweging genomen moet worden de wenselijkheid van het opnemen van een betalingsregeling. De regeling van art. 1:140 BW die voor gehuwden geldt, is niet naar analogie zonder meer van toepassing op informele samenlevers.
Een finaal verrekenbeding kan ‘erfrechtelijke gevolgen’ hebben als het kwalificeert als een quasi-legaat in de zin van art. 4:126 BW. Dit heeft twee ingrijpende gevolgen. De vordering uit het verrekenbeding wordt op grond van art. 4:7 lid 1 onder i BW aangemerkt als een nalatenschapsschuld. Hiermee valt het als laatste in rang van de schuldenrangorde. Als de nalatenschap ontoereikend is, kan het quasi-legaat op grond van art. 4:120 BW worden verminderd ten gunste van de ‘hoger gerangschikte’ schuldeisers. De schuld van de nalatenschap vanwege het quasi-legaat wordt op grond van art. 4:65 BW van de legitimaire massa afgetrokken. Hierdoor valt de legitimaire massa groter uit en daarmee krijgen de legitimarissen een hogere legitieme portie. Daarnaast geldt dat het quasilegaat door de legitimaris kan worden ingekort voor dat deel van de legitieme dat niet anderszins kan worden voldaan.
Wat zijn de fiscale gevolgen van het opnemen van een finaal verrekenbeding in een samenlevingscontact? Inmiddels is er meer duidelijkheid. Enerzijds door het aanpassen van art. 11 SW per 1 januari 2026 en het uitgebrachte standpunt van de kennisgroep van de Belastingdienst. Het is daarbij wel de vraag of het wenselijk is de fiscaliteit zo’n sturende rol te geven bij de inrichting van de vermogensrechtelijke verhoudingen tussen partners. Wanneer de inwerkingtreding van het verrekenbeding afhankelijk wordt gemaakt van het fiscaal partnerschap, accepteren de partners daarmee dat hun onderlinge rechten en plichten gedurende een zekere periode onbepaald blijven. De adviseur die met informele samenlevers spreekt over wat zij willen regelen en waarom kan daarbij met hen bezien of en hoe de fiscale optimalisatie daarin past en wat de auteur betreft, niet andersom.

Wanneer je een abonnement hebt op Vp-Bulletin via Kluwer Inview, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel Vp-Bulletin 2026/17.