Sinds 1 juli 2017 is de opbouw van pensioen in eigen beheer niet langer fiscaal toegestaan. Met de uitfasering die vanaf dat moment tot en met 31 december 2019 heeft plaatsgevonden, zijn veel pensioenvoorzieningen van de balans van veel bv’s verdwenen. Een deel is afgekocht, maar een ander deel is omgezet in de zogeheten oudedagsverplichting (ODV). De ODV was een nieuw begrip met een eenvoudige werkwijze. Althans dat was de bedoeling, alleen blijkt de praktijk wat weerbarstiger.
Een van de punten waarover onduidelijkheid bestond is wie na het overlijden van de gerechtigde de verkrijger is van de (resterende) ODV en met name hoe dat geregeld moet worden. De enige wijze waarop de ODV kon ontstaan, was het omzetten van het pensioen in eigen beheer. In veel gevallen bestond het pensioen in eigen beheer uit een levenslang ouderdomspensioen én een levenslang nabestaandenpensioen (lees: partnerpensioen). Voor veel situaties was het dan ook eenduidig de bedoeling dat de (resterende) ODV bestemd moest zijn voor de langstlevende partner. De partner had immers het recht op partnerpensioen ook prijsgegeven om tot een ODV te worden omgezet. Echter de tekst van de wet wees de erfgenamen aan als opvolgend verkrijger. En de levende partner is niet altijd mede-erfgenaam of enig erfgenaam.
Tot 1 januari 2025 moest in dat testament de partner als erfgenaam zijn benoemd en moest het testament, indien de langstlevende niet de enige erfgenaam was of indien de wettelijke verdeling niet van toepassing was, daarnaast de mogelijkheid bieden om in de vorm van een legaat de volledige ODV toe te laten komen, om de (resterende) ODV uitsluitend en zonder acute loonbelasting/revisierente naar de partner te laten overgaan. Per 1 januari 2025 is reeds “en legatarissen” toegevoegd aan de wettekst, maar bij een letterlijke lezing van de tekst van het artikel zou men de ODV tussen alle erfgenamen én alle legatarissen moeten verdelen. Dus was het ook met deze wettekst nog noodzakelijk dat men vooraf in het testament in de vorm van een legaat de bestemming van de ODV vastlegde, wanneer het de bedoeling was om deze niet evenredig over alle erfgenamen en legatarissen te verdelen. Met de wijziging per 1 januari 2026, waarbij ‘een of meer van’ aan de wettekst is toegevoegd, wordt gerealiseerd dat de erfgenamen en legatarissen onderling nog kunnen bepalen of ze de uitkering delen of specifiek aan een persoon laten toekomen.
De nieuwe wettekst zal ertoe bijdragen om in praktijksituaties het risico op acute loonbelasting en revisierente beter te beheersen en tot een passende en solide toekenning van de ODV te kunnen komen.
Wanneer je een abonnement hebt op KWEP via Kluwer Inview, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel KWEP 2026/7.