In dit artikel wordt stilgestaan bij de waarde van de recente uitspraken van Hof Den Haag inzake vergodingsrechten en de status quo van dit leerstuk in kaart gebracht. Enkel indien echtgenoten een eigen vermogen hebben, kunnen vragen rijzen omtrent het afwikkelen van investeringen in het vermogen van de ander. In het standaardregime dat geldt sinds 2018 van de privévermogens en de beperkte gemeenschap hebben echtgenoten een eigen vermogen. Eigen vermogens bestaan ook in de gevallen waarbij krachtens notarieel verleden huwelijkse voorwaarden wordt gekozen voor gescheiden vermogens. Bij het tot 2018 bestaande wettelijke standaardmodel van de algehele gemeenschap van goederen zullen in principe geen vragen ontstaan over investeringen in elkaars vermogen, omdat de echtelieden als uitgangspunt geen eigen vermogen hebben, hetgeen anders kan zijn indien een privévermogen is ontstaan. In die gevallen, waarin ook een privévermogen bestaat, kan een vordering ontstaan tussen de gemeenschap en het privévermogen, waarbij de vraag rijst hoe de hoogte van het vergoedingsrecht moet worden vastgesteld.
Sommige huwelijksgoederenregimes zijn aldus meer geneigd om vraagstukken op te werpen op het vlak van vergoedingsrechten dan andere. Pas sinds 2012 is er een wettelijke regeling over vergoedingsrechten tussen privévermogens. Daarvoor waren rechtszoekenden op de jurisprudentie aangewezen, hetgeen overigens nog steeds het geval is voor echtelieden die een dispuut willen afwikkelen over een vergoedingsrecht tussen privévermogens dat is ontstaan voor 2012. Voor vergoedingsrechten tussen een privévermogen en de gemeenschap gelden onder het oude regime art. 1:96 lid 3 en 4 BW (oud).
De recente rechtsgeschiedenis leert dat er een hoofdregel is voor het berekenen van een vergoedingsrecht. Uit de hierboven aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat afwijken van de nominaliteitsleer is toegestaan indien toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij de overgang naar het nieuwe regime van de beleggingsleer is niets veranderd aan het algemeen wettelijk kader waaruit volgt dat de redelijkheid en billijkheid gelden voor rechtsrelaties tussen (gewezen) echtgenoten. De status quo op het vlak van het berekenen van vergoedingsrechten, vanwege het aflossen op een hypothecaire geldlening, is door de twee uitspraken van Hof Den Haag minder duidelijk. Dit is vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid en rechtseenheid onwenselijk. Het zou wenselijk zijn wanneer de Hoge Raad of de wetgever verduidelijking zou scheppen.
Wanneer je een abonnement hebt op KWEP via Kluwer Inview, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel KWEP 2026/6.