In mei 2026 wees de Hoge Raad een belangrijk arrest over de vraag of bij de waarde(ring) van hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt (en die in mindering op zijn legitieme portie komt) rekening moet worden gehouden met het waardedrukkende effect van eventuele voorwaarden die aan een making zijn verbonden. De zogenaamde Ausser Betracht-benadering (op grond waarvan het waardedrukkende effect van ‘bezwaringen’ buiten beschouwing zou moeten worden gelaten), die hier en daar ook wel werd verdedigd en waarop het middel ook een beroep doet, is ten grave gedragen. Niet de waarde van hetgeen de legitimaris ‘daadwerkelijk’, dus ten tijde van de vervulling (of het verval) van de voorwaarde, heeft verkregen of verkrijgt, is van belang, maar de waarde van het verkregene op de peildatum van het overlijden van de erflater (art. 4:6 jo. 65 BW), met inachtneming van het waardedrukkende effect van de voorwaarde op dat moment.
Het vaststellen van het waardedrukkende effect van voorwaarden is geen sinecure. Er bestaan in de praktijk geen voorgeschreven (vuist)regels waarmee de waardedruk van een voorwaarde (in civielrechtelijke zin) kan worden vastgesteld. Hoewel de Hoge Raad daar niet expliciet op ingaat, heeft de uitspraak volgens de auteur ook gevolgen voor andere ‘bezwaringen’ die aan een making kunnen worden verbonden, zoals een last, een bewind, maar ook een vruchtgebruik (of ander goederenrechtelijk recht) en een niet-opeisbaarheidsbepaling (bij welke laatste ook andere elementen zoals rente en zekerheid een rol spelen). De Hoge Raad lijkt hier wel een slag om de arm te houden, want hij overweegt dat de opvatting dat geen rekening mag worden gehouden met het waardedrukkende effect van eventuele voorwaarden die aan de making zijn verbonden, in haar algemeenheid onjuist is.
De notariële (en advies) praktijk doet er verstandig aan om na te denken (en de cliënt te adviseren) over het (standaard) verbinden van een cautio socini aan de voorwaardelijke making van een legitimaris als deze een (aanvullend) beroep op de legitieme zou willen doen. De uitspraak is zijns inziens ook op andere plaatsen in de regeling van de legitieme portie van belang, te weten: de personen op wie de legitieme portie kan drukken, de voorwaardelijkheid van uiterste wilsbeschikkingen en voorwaardelijke goederen, schulden en giften.
De Hoge Raad merkt voorts op dat op het moment van overlijden van de erflater de vervulling van een voorwaarde toekomstig en onzeker moet zijn, wil deze kunnen werken. Een werking van de voorwaarde op het ondeelbare moment van overlijden van de erflater wordt daarmee uitgesloten. Daarnaast wordt de heersende opvatting omtrent de ‘aanvulling’ op grond van art. 4:47 BW bij een tweetrapsmaking bevestigd: als de bezwaarde vóór de erflater is overleden of aan een andere ontbindende voorwaarde is voldaan vóór of op het moment van overlijden van de erflater, moet de verwachter ‘direct’ als onvoorwaardelijk erfgenaam worden beschouwd.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel WPNR 2026/7555.