De informele BIG-persoon (WPNR 2026/7548)

Geplaatst op 30 juli 2026
Mr. dr. H.J. de Jonge

Recent oordeelde de Hoge Raad onder meer over het ‘verbod’ van art. 4:59 lid 1 BW. Op grond van die bepaling kunnen beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg die iemand gedurende de ziekte waaraan hij is overleden bijstand hebben verleend, geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen die zodanig persoon gedurende de behandeling of de bijstand te hunnen behoeve heeft gemaakt. De auteur gaat eerst in op de feiten van de zaak. Hoewel de uitspraak van de Hoge Raad meerdere interessante aspecten bevat, licht de auteur er vervolgens twee uit: de toepassing van (de termijnen van) art. 4:54 BW en de vraag wie als ‘beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg’ in de zin van art. 4:59 lid 1 BW kunnen kwalificeren. Duidelijk is dat een materiële benadering wordt gevolgd voor het antwoord op de vraag wie als ‘beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg’ in de zin van art. 4:59 lid 1 BW kunnen kwalificeren. In een concreet geval zal beoordeeld moeten worden of de zorgverlener in kwestie er zijn/haar beroep van heeft gemaakt om individuele gezondheidszorg te verlenen. Het verlenen van mantelzorg in de privésfeer valt niet onder het verbod. Het kan in een concreet geval echter lastig zijn om te bepalen of de bijstandsverlening als mantelzorger is verricht of als beroepsmatig zorgverlener.
In de procedure is niet de vraag gesteld of de echtgenote van erflater – hoewel zij op grond van art. 4:59 lid 1 jo. art. 4:62 lid 1 BW geen voordeel mocht trekken uit de erfstelling van de erflater – wél aanspraak had kunnen maken op de andere wettelijke rechten van art. 4:29 BW (het ‘vruchtgebruik op woning en inboedel’) en 4:30 BW (het ‘vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap’), hierna ook te noemen: ‘de verzorgingsvruchtgebruiken’. In de ogen van de auteur kan een uitgesloten persoon, die bij overlijden van de erflater tevens diens echtgenoot was, ondanks de vernietiging van zijn uiterste wilsbeschikking, wél aanspraak maken op het verzorgingsvruchtgebruik van art. 4:30 BW, maar niet op dat van art. 4:29 BW. Dat is van belang voor het geval dat ten voordele van de uitgesloten persoon is getesteerd voordat zij (uitgesloten persoon en erflater) met elkaar trouwden.

Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel WPNR 2026/7548.