In de praktijk komen echtgenoten in huwelijkse voorwaarden regelmatig overeen dat bij ontbinding van het huwelijk door overlijden de verrekening van de vermogens van de echtgenoten zodanig zal plaatsvinden dat de langstlevende en de rechtverkrijgende(n) van de overleden echtgenoot gerechtigd zijn tot een waarde die gelijk is aan die waartoe zij gerechtigd zouden zijn indien tussen de echtgenoten de algehele gemeenschap van goederen had bestaan. De verrekening dient dan plaats te vinden doordat de ene partij aan de andere partij een zodanig bedrag uitkeert dat ieder van hen de helft geniet van de waarde van beide vermogens. Een dergelijke regeling in huwelijkse voorwaarden wordt veelal aangeduid met de term “finaal verrekenbeding”.
In dit artikel is het uitgangspunt dat de langstlevende echtgenoot op grond van het finaal verrekenbeding een vordering heeft op de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot, dat wil zeggen zijn erfgenamen, of, in geval zijn nalatenschap op grond van de wet is verdeeld, op de langstlevende in haar hoedanigheid van erfgenaam. Leidt de uitvoering van het finaal verrekenbeding op grond van de omvang van de vermogens van de echtgenoten tot een vordering van de nalatenschap op de langstlevende, dan doen zich geen bijzondere vragen voor. Deze vordering is een goed van de nalatenschap en dat betekent onder meer dat de waarde van deze vordering de omvang van de legitieme porties van de legitimarissen van de nalatenschap mede, positief, bepaalt.
Doet zich de situatie voor dat aan de langstlevende op grond van het finaal verrekenbeding een vordering op de nalatenschap toekomt, dan bestaat er onduidelijkheid over de aard van deze vordering. De praktijk voelt zich niet zeker na de uitspraken van twee rechtbanken waartegen geen hoger beroep is ingesteld. Kort gezegd bestaat er onzekerheid over de vraag of de met de vordering van de langstlevende corresponderende schuld, een schuld is als bedoeld in:
- art. 4: lid 1 onder a BW, een schuld van de erflater die niet met zijn dood tenietgaat, voor zover niet begrepen in art. 4: lid 1 onder i BW; dan wel
- art. 4:7 lid 1 onder i BW, een schuld uit gift of een andere handeling die ingevolge art. 4:126 BW wordt aangemerkt als legaat.
De auteur beargumenteert wederom met nadere onderbouwing dat indien een finaal verrekenbeding leidt tot een schuld van de nalatenschap, dit een schuld is als bedoeld in art. 4:7 lid 1 onder a BW. Er is dus niet sprake van een fictief legaat. Deze opvatting geeft naar zijn mening geldend Nederlands recht weer.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel WPNR 2026/7547.