In zijn praktijk komt de auteur regelmatig testamenten tegen waarin kleinkinderen als erfgenaam zijn benoemd en het de bedoeling is (of lijkt) dat zij ‘in de wettelijke verdeling’ worden betrokken. Kan de testateur bijvoorbeeld – naast de langstlevende echtgenoot – een kleinkind tot mede-erfgenaam benoemen en deze in plaats van of naast zijn kind (ouder van het kleinkind) in de wettelijke verdeling betrekken? Of is daarvan, net als bijvoorbeeld bij het – naast de langstlevende echtgenoot en een kind – benoemen van een broer tot mede-erfgenaam, het gevolg dat dat kleinkind (net als de broer-mede-erfgenaam) samen met de langstlevende echtgenoot tot de onverdeelde nalatenschap is gerechtigd? Ofwel: welke ruimte biedt de wettelijke verdeling uit het versterferfrecht aan testateurs die willen dat hun kleinkinderen wel mee-erven, maar niet anders dan in de vorm van een niet-opeisbare vordering?
In dit artikel onderzoekt de auteur welke mate het een testateur vrij staat om kleinkinderen en/of stiefkleinkinderen in de wettelijke verdeling te betrekken. Hoewel alleen de wetgever of onze hoogste rechter uitsluitsel kan geven over wat wel of niet mogelijk is, heeft de praktijk houvast nodig. Dat geldt natuurlijk zowel bij het maken als uitvoeren van testamenten waarin kleinkinderen (en/of stiefkleinkinderen) ‘in de wettelijke verdeling’ worden betrokken.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel WPNR 2026/7535.