In 2024 tot en met 2026 zijn de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de inkomstenbelasting en de erf- en schenkbelasting op essentiële punten gewijzigd. De afgelopen periode zijn er veel ontwikkelingen geweest op wetgevingsgebied ten aanzien van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Denk hierbij aan de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2024 (WAFB 2024), de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025 (WAFB 2025), de wijziging van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting en het weer intrekken van enkele maatregelen in het Belastingplan 2026.
In twee artikelen wordt op hoofdlijnen een overzicht gegeven van de regelgeving zoals die vanaf 1 januari 2026 geldt voor bedrijfsopvolgingen die plaatsvinden door middel van een aandelenoverdracht. In het eerste deel werd ingegaan op de eisen die bij toepassing van de faciliteiten worden gesteld aan de overgedragen vennootschap, de aandelen en aan de overdrager. In het tweede deel wordt ingegaan op de eisen die worden gesteld aan het vermogen en aan de verkrijger.
Een belangrijk aandachtspunt voor de praktijk is dat de bezittingen en schulden van de werkmaatschappij alleen kunnen worden toegerekend aan de bovenliggende houdstermaatschappij indien sprake is van een indirect aanmerkelijk belang of een verwaterd indirect belang in deze werkmaatschappij. Indien hier geen sprake van is, worden de bezittingen en schulden niet toegerekend maar worden de aandelen in deze werkmaatschappij aangemerkt als beleggingsvermogen. Bijzondere aandacht verdienen hierbij preferente aandelen waarvoor verzwaarde toerekeningsregels gelden en tracking stocks waarvoor een toerekeningsmethodiek wordt gehanteerd die afwijkt van de juridische en economische werkelijkheid.
Een ander belangrijk aandachtspunt voor de praktijk is voorts dat voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten niet naadloos wordt aangesloten bij de vermogensetiketteringsleer voor IB-ondernemers. Voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten wordt door middel van meerdere ficties, maar ook op grond van jurisprudentie specifiek voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten, afgeweken van de algemene vermogensetiketteringsleer. Relevante ficties daarbij zijn onder andere de vastgoedmaatregel, het kwalificeren van een belang in een ander lichaam als beleggingsvermogen en de voor zover-benadering ingeval van gemengd gebruik bij een bedrijfsmiddel met een waarde van meer dan € 100.000 (jaarlijks geïndexeerd).
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel FBN 2026/29.