In dit artikel wordt ingegaan op de vraag hoe vorderingen die een variabele rente dragen en/of die opeisbaar zijn op een onzeker tijdstip voor de erf- en schenkbelasting gewaardeerd moeten worden. De toekomst en de fiscaliteit gaan niet eenvoudig hand in hand, met name niet wanneer toekomstige onzekere omstandigheden van belang zijn bij de fiscale waardering van een (fictief) vruchtgebruik (of periodieke uitkering). In dit artikel tracht de auteur enig inzicht te geven in de materie aan de hand van de recente uitspraak van rechtbank Noord-Holland. Hoewel dat in die uitspraak wat hem betreft tot een bevredigende uitkomst leidde, levert de gehanteerde methode bij nader inzien misschien meer vragen dan antwoorden op. De auteur roept de wet-/besluitgever op om de volgende zet te doen; een (praktisch) standpunt van de Kennisgroepen zou ook al behulpzaam zijn. De auteur geeft al een voorzet voor een oplossingsrichting. Door de wetgever kan ook bedacht worden dat de problematiek aanzienlijk minder vaak zou spelen als de erfrechtelijke vorderingen gedurende de niet-opeisbaarheid voor de erfbelasting gedefiscaliseerd zouden worden.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel FBN 2026/27.