Dit artikel gaat over het systeem van heffing van erfbelasting, de plaats van de erfbelasting binnen de erfrechtelijke schulden en de (on)bevoegdheid van de executeur/vereffenaar tot het instellen van een rechtsmiddel tegen een aanslag erfbelasting. In art. 4:7 lid 1 onder e BW wordt vermeld dat de schulden uit belastingen die ter zake van het openvallen der nalatenschap worden geheven, voor zover zij op de erfgenamen komen te rusten, schulden van de nalatenschap zijn. Dat betreft in ieder geval de erfbelasting. Bedoelde kwalificatie als schuld van de nalatenschap roept allerlei vragen op. Twee belangrijke (soms tegengestelde) belangen spelen in de afwikkeling van de nalatenschap door een executeur of vereffenaar waarbij de erfgenamen beneficiair hebben aanvaard: de belangen van de schuldeisers van de nalatenschap en de eigen belangen van de erfgenamen. Bij de executeur of vereffenaar staan over het algemeen gesproken de belangen van de schuldeisers voorop.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel FTV 2026/21.