Het merendeel van de mensen is getrouwd in een gemeenschap van goederen, die bij overlijden van een echtgenoot wordt ontbonden. Daarnaast is er dan ook een nalatenschap, die – tenzij sprake is van de wettelijke verdeling – ook verdeeld moet worden. Wie moeten meewerken aan een verdeling van deze verweven gemeenschappen? Dat die verwevenheid van deze gemeenschappen en opvolgende verdelingen daarvan weleens uit het oog wordt verloren, blijkt maar weer eens uit een recente uitspraak van Hof Den Haag. In dit arrest geeft het hof ook nog enkele behartenswaardige erfrechtelijke oordelen.
Het geschil betrof de omvang en samenstelling van de door het overlijden van moeder ontbonden huwelijksgemeenschap. De dochters hadden de kantonrechter verzocht hun vorderingen uit hoofde van de nalatenschap van moeder vast te stellen overeenkomstig het testament. Vader voert aan dat de dochters niet-ontvankelijk zijn. Volgens hem komt hem als afwikkelingsbewindvoerder exclusief de bevoegdheid toe om de erfdelen vast te stellen. Hij heeft immers bij testament zeer ruime bevoegdheden toegekend gekregen. Voor de praktijk is van belang dat het hof terecht oordeelt dat vader op basis van het testament niet de vrijheid had om naar eigen goeddunken de waarde te bepalen van de activa die tot de huwelijksgoederengemeenschap van moeder en vader behoorden en als gevolg daarvan zelfstandig de waarde kon bepalen van de activa die mogelijk behoorden tot de nalatenschap van moeder. Dat vader op grond van het testament bij het einde van het afwikkelingsbewind rekening en verantwoording dient af te leggen bij notariële akte doet daar niet aan af. Vaststelling van de waarde van de in de verdeling te betrekken goederen is immers een verdelingswerkzaamheid. De bevoegdheden van de afwikkelingsbewindvoerder betreffen immers alleen (de verdeling van) de nalatenschap.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel FTV 2026/22.