Waar de wetgever in 2010 beoogde een vereenvoudiging tot stand te brengen met de invoering van een verplichte WOZ-waarde bij woningen, blijkt in veel gevallen dat als de WOZ-waarde afwijkt van de waarde in het economisch verkeer (WEV) van de woning, er alsnog discussies kunnen ontstaan. Steeds kan men zich de vraag stellen of de keuze van de wetgever voor het waarderen van een woning voor de erf- en schenkbelasting op basis van de WOZ-waarde wel zo gelukkig is: vereenvoudigt dit nou daadwerkelijk de uitvoering? Dat is met name van belang bij de overdracht van woningen bij leven, omdat over het algemeen geldt dat er overdrachtsbelasting wordt geheven en daarvoor de WOZ-waarde niet geldt maar (in beginsel) de WEV. Bij overlijden speelt deze vraag iets minder, omdat bij verkrijgingen krachtens erfrecht en de verdeling van een nalatenschap geen overdrachtsbelasting speelt; toch kan ook daar discussie ontstaan over de WOZ-waarde en de WEV.
Het is goed om daarbij te bedenken dat in de praktijk het verschil tussen de (lagere) WOZ-waarde en de (hogere) WEV vooral gebruikt wordt door de burger om voordelen te behalen; de Staat trekt veelal aan het kortste eind. Is de WOZ-waarde hoger dan de WEV, dan zal namelijk veelal bezwaar tegen die WOZ worden gemaakt. Het is dan ook opvallend dat het voornemen om art. 21 lid 5 SW per 1 januari 2027 te beperken tot de erfbelasting om uitvoeringstechnische redenen thans niet meer is opgenomen in de Fiscale verzamelwet 2027.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel FTV 2026/23.