Financieel misbruik is een thema dat waarschijnlijk weinig introductie behoeft in de notariële context, en dat is maar goed ook. De cijfers liegen er niet om: jaarlijks krijgen naar schatting zo’n dertigduizend ouderen met financieel misbruik te maken. In de komende jaren stijgt daarnaast de dubbele vergrijzing, wat inhoudt dat zowel het aantal 65-plussers toeneemt als het aantal 80-plussers. Deze groep is momenteel de rijkste generatie van Nederland, met een gezamenlijk vermogen van € 955 miljard. Bovendien wordt sinds de jaren zeventig – deels vanwege bezuinigingen – steeds meer gestimuleerd dat ouderen langer thuis blijven wonen en worden verzorgd door hun omgeving. De wetgever tracht op diverse plekken in ons Burgerlijk Wetboek waarborgen in te bouwen tegen financieel misbruik.
Een van die waarborgen is art. 7:176 BW, dat is ontworpen om de positie van de schenker te versterken als de schenking niet is vastgelegd in een notariële akte. Indien de schenker succesvol stelt dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden bij de totstandkoming van een onderhandse schenking, dan moet de begiftigde in beginsel het tegendeel bewijzen, aldus het artikel. Bij het raadplegen van de rechtspraak blijkt echter dat een beroep op art. 7:176 BW vaak strandt op de stelplicht. De vraag is dan ook hoe de maatstaf van de stelplicht ex art. 7:176 BW zich verhoudt tot het rechtsbeschermende karakter van deze bepaling, dat duidelijk naar voren komt in de totstandkomingsgeschiedenis. Is wellicht sprake van symboolwetgeving? Of is de bepaling toe aan herziening? Dit artikel probeert daar meer duidelijkheid in te scheppen.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel FTV 2026/24.