De Hoge Raad heeft op 29 mei 2026 een voor het erfrecht belangrijk arrest gewezen. Er speelden in cassatie in feite twee kwesties. Ten eerste de werking van een ontbindende voorwaarde in een uiterste wilsbeschikking en ten tweede de vraag betreffende de invloed van een dergelijke voorwaarde op de waarde van een verkrijging krachtens erfrecht in het kader van de toerekening op de legitieme portie. De verschillende visies op de invloed van een voorwaarde op de waarde van een dergelijke verkrijging zijn te verdelen in de voorstanders van een ‘Außer Betracht-’ en van een ‘Mit Betracht-benadering’, al naargelang het al dan niet ontbreken van een dergelijke waardedrukkende invloed. De auteurs gaan uitsluitend in op dit waardevraagstuk. Eerst wordt het juridische kader van het arrest en de uitspraak als zodanig aan de orde gesteld. Daarna gaan de auteurs in op de waarde van de toerekening op de legitieme portie van een verkrijging krachtens erfrecht en de verschillende visies daarop. Afgesloten wordt met een conclusie en enkele praktijkwenken.
De Hoge Raad heeft een principiële, verreikende uitspraak gedaan die past binnen het door de wetgever ontworpen systeem en de daarin opgenomen ‘spelregels’. Art. 4:63 BW wijst de weg: de legitimaris kan ‘in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen’ aanspraak maken op een ‘onbezwaarde legitieme portie’: kleeft aan de aan de legitimaris gedane gift, making of lastbevoordeling een ‘bezwaring’ (inferieure verplichting, voorwaarde of bewind), dan is het systematisch juist dat met die bezwaring rekening wordt gehouden bij de imputatie. Degenen die de Außer Betracht-benadering omarmen of hebben omarmd, verliezen of verloren uit het oog dat ook voor de legitiemeregeling een streng onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds het wettelijk erfrecht dat niet als inbreuk op de legitieme portie kan worden beschouwd en anderzijds het ‘vrije’ testamentair erfrecht dat door de wet als inbreuk op de legitieme portie wordt beschouwd. De legitieme portie wordt verkregen in weerwil van uiterste wilsbeschikkingen en giften, maar niet in weerwil van het wettelijk systeem. Samenvattend: zodra de erflater een verkrijging bezwaart, wordt deze meegewogen bij de waardering; wordt door of krachtens een wetsbepaling een verkrijging bezwaard (zoals bij de niet-opeisbaarheid van het erfdeel/de vordering uit de wettelijke verdeling ex art. 4:81 en 82 BW), dan wordt met de onbezwaarde waarde gerekend.
Reeds gemaakte uiterste wilsbeschikkingen, ook die vóór 1 januari 2003 zijn gemaakt, zouden op hun merites beoordeeld en zo nodig aangepast of aangevuld moeten of kunnen worden, als de erflater wil voorkomen dat de werkelijke waarde van een bezwaarde making in het kader van de toerekening op de legitieme portie moet worden geschat. Dit zal voornamelijk kunnen spelen indien de contante/werkelijke waarde van een bezwaarde making lager is dan de (abstracte) legitieme portie. De desbetreffende beschikkingen zouden in dat geval aangevuld kunnen worden met een cautio Socini. Wat voor reeds gemaakte uiterste wilsbeschikkingen geldt, geldt uiteraard ook bij het maken van nieuwe uiterste wilsbeschikkingen. In de boedelpraktijk dient men bij de kwantificering van het legitimair tekort rekening te houden met de ‘bezwaring’ van de verkrijging van de legitimaris (art. 4:71 BW), tenzij deze ‘bezwaring’ door of krachtens de wet is toegestaan. In dergelijke gevallen kan een beroep op een ‘aanvullende’ legitieme portie aantrekkelijker zijn dan een beroep op de ‘volle’ legitieme portie door verwerping van de verkrijging in combinatie met een contantenverklaring in de zin van art. 4:63 lid 3 BW. Dat is natuurlijk niet het geval als een bepaling als hiervoor bedoeld is opgenomen, waardoor de beschikkingen ten behoeve van een legitimaris vervallen bij een beroep op de legitieme.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel FTV 2026/27.