In een recente beschikking moest het Hof Arnhem-Leeuwarden onder meer oordelen over de vraag of, en zo ja, op basis van welke grondslag een vergoedingsrecht bestaat indien een geregistreerd partner met privévermogen een tot de partnerschapsgemeenschap behorende schuld aflost ná de indiening van een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Kort gezegd kwam het hof tot het oordeel dat in een zodanig geval een vergoedingsrecht kan worden aangenomen op grond van art. 3:172 jo. art. 6:10 BW.
Naar aanleiding van deze beschikking wordt in dit artikel nader ingegaan op deze problematiek waarin een echtgenoot met privévermogen investeert in een goed dat deel uitmaakt van de ontbonden wettelijke gemeenschap van goederen, terwijl het huwelijk zelf nog niet ten einde is gekomen. Dit laatste brengt met zich dat de bepalingen uit titel 1.6 BW nog van toepassing zijn. Anders dan het hof in zijn beschikking heeft overwogen, menen de auteurs dat de investerende echtgenoot dan een vergoedingsrecht kan ontlenen aan art. 1:87 lid 1 BW. De beleggingsleer is op de berekening van de omvang van dat vergoedingsrecht van toepassing.
Wanneer je een abonnement hebt op SDU Opmaat, dan kun je middels de link het complete artikel raadplegen: artikel JBN 2026/45.